Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Christenen af te houden van het meedoen aan dergelijke gebruiken. Bij zijn komst was het heel gewoon, dat zij het wel deden, maar al spoedig kwam er eene splitsing tusschen hen, die in de kerk kwamen en zich nauw bij den zendeling aansloten en de gedoopten, die te midden der Heidenen bleven leven en zich in niets van hen onderscheidden. Op den duur waren deze menschen dikwijls vijandiger dan de Heidenen. Bij de getrouwe Christenen werd het allengs gewoonte, dat bij droogte in de kerk om regen werd gebeden. Ook werd bij enkele gelegenheden in de kerk gedankt; als zij een gevaarlijken tocht ondernamen naar een ander eiland, werd voor hun vertrek voor hen gebeden en bij hun behouden thuiskomst daarvoor gedankt. Dit geschiedde op hun eigen verzoek.

15 Dec. 1832 schrijft Luyke op Moa in zijn dagboek over een krijgsdans, die werd uitgevoerd bij de begrafenis van een heidenschen priester. Toen hem gevraagd werd of die mocht worden uitgevoerd door een sterken en vluggen Christen, antwoordde hij, dat het hem genoeg bedroefde dat de Christenen zich zoo vereenigden met alle heidensche en booze werken. Daarop werd een heiden aangewezen voor het uitvoeren van den dans.

Begrafenissen en doodenvereering waren gelegenheden, waarbij allerlei heidensche gebruiken in praktijk werden gebracht. Zoo teekent hij 25 Sept. 1830 aan, dat hij gestoord werd in het werken aan zijn preek, daar hij bemerkte, dat gedoopten en ongedoopten, buiten zijn weten, aan het vee slachten Waren gegaan voor de afgestorvenen, „waarover ik mijne ontevredenheid te kennen gaf, doch daarbij in de gelegenheid kwam om aan vele heidenen in hunne taal het Evangelie te verkondigen, dat mij weder zeer veel genoegen gaf".

In Maart 1838 gaat hij op Letti, met zijn vrouw naar de begrafenis van een heidenschen jongeling. Op zijne vraag, waarom die jonge man gestorven is, niettegenstaande een feest voor zijn herstel is gehouden, werd o.a. geantwoord r

„Zoo de groote Heer roept, wie zal het dan keeren?"

Êen eigenaardige gewoonte op beide eilanden was het begraven bij verstek van hen, wier lijken niet naar hun woonplaats konden worden teruggebracht. In Januari 1832

Sluiten