Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van dagen, die niet meer zelf hunne gronden kunnen bewerken en wier zonen naar elders togen, vooral omdat zij zich den landbouw schaamden en zich voelden aangelokt door hoofdplaatsen met bioscopen enz.

Verblijdend is het, dat de Christenen, die zich het eerst bij de gemeente voegden, geen gunsten voor zich of voor hunne gehuwde kinderen verzochten, maar dat zij juist het eerst er op aandrongen de beschikbare gronden om de vijf jaar gelijk te verdeelen onder de wettige hoofden van huisgezinnen, waaronder natuurlijk ook begrepen weduwen, staande aan 't hoofd van een eigen gezin. Het aanvaarden van een aandeel wordt volkomen vrijgelaten. De onderwijzers onzei^gemeente-dagschool ontvangen geen aandeel. Bij elke verdeeling schuiven de aandeelen een nummer op, zoodat ieder gezin op zijn beurt de betere of de minder goede gronden krijgt. Op heden heeft ieder Christengezin te bewerken ruim de helft van wat een Mohammedaansch gezin in onze omgeving in bruikleen heeft. Doch onze menschen hebben voldoende geleerd om in het ontbrekende te voorzien met timmerwerk, steenbakken, het werken in de suikerriet-tuinen, vlechten, spinnen, weven, naaien en haakwerk. Wie ook nu nog spreekt van „sawah-bedeeling", verraadt schuldige onbekendheid met de over gansch Java wettige gebruiken, noodzakelijk voor plattelandsbewoners, die onmogelijk, — zooals op hoofdplaatsen — in hun onderhoud kunnen voorzien, hetzij als huisbediende, brievenbesteller, klerk, schoolmeester enz.

Zooals boven reeds gezegd bleef ons verzoek om inschrijving der van de Regeering zelve ontvangen woeste grondën op naam van de gemeente, onbeantwoord. Totdat dato 29 Mei 1916 onder no. 369 een Staatsblad verscheen, dat mij voorkwam te bedoelen verbetering te brengen in de grondrechten ook voor inlandsche corporaties.

Voor mijn doel heb ik hier uit dat veelomvattend Staatsblad slechts te releveeren, dat in Deel II letter e en f aan den Directeur v. B. B. volmacht wordt verleend om het i n1 a n d s c h gebruiksrecht op gronden voor den landbouw te verleenen aan „Inlandsche rechtsgemeenschappen" of „Inl. instellingen van openbaren of godsdienstigen aar d".

Sluiten