Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

stormvlagen tegen den Kekneno opgierden en de Nisnoni bandjirde, ging de Koning der Krokodillen uit en vond het aas aan den haak en hapte dit in een slok naar binnen, en een stuk lijn ging ook mee naar binnen.

Maar het aas, de haak en dat stuk lijn gingen niet ineens door naar zijn buik, zij bleven achter in zijn keel zitten en de haak drong door in het vleesch; want de lijn, aan den boom vastgebonden, trok met al haar sterkte.

De krokodil trok ook, en omdat de haak hem pijn deed, als hij trok, durfde hij de lijn niet meer te spannen.

Met zijn breeden machtigen staart sloeg hij het water, dat het hoog opspatte en al de palingen en visschen in de buurt vol schrik achter de steenen scholen.

De muil van den krokodil kwam boven water en ging weer onder water, en de lijn was erg sterk en trok den haak al maar dieper in het vleesch, zoodat de krokodil van pijn niet meer trekken kon en vermoeid zijn muil toehapte-.

Toen kwam de lijn tusschen de scherpe spitse tanden en sneden zij de lijn door en de krokodil ging langzaam naar zijn huis, onder het water.

Zijn wangen, zijn muil, zijn keel, alles deed pijn, zijn kop zette zich dik op, zoodat de oogen heelemaal verzonken lagen.

„Maar man, wat zie je er uit!" zei zijn vrouw Krokodil. „Wat scheelt je? Welke Koning heeft zoo met je gevochten, en je zoo toegetakeld?"

De krokodil kon van pijn niets zeggen, hij bromde wat onverstaanbaars in zijn gesloten muil en ging op de slaapbank liggen, waar hij al maar zijn staart heen en weer sloeg, zoo'n pijn had hij.

Bloed kwam zijn muil uit, en zijn vrouw krokodil maakte zich erg angstig, zij begreep maar niet hoe dit zoo gekomen was, en haar man kon het niet vertellen.

Het geweld van den bandjir, in de Nisnoni, was voorbij, maar de stand van het water was nog hoog, het stroomde met snel vlieten over de lage oevers, zoodat Neno tot zijn knieën door het water moest waden om bij de lijn aan den Kabesakboom te komen.

Sluiten