Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Blz. 58. Aro, „iets halen uit een bak, mand". — Dipaloo, „doen gaan"; rokko, „naar beneden"; litak, „grond". — Mantawa, „verdeelende van tawa". — Pandoeng, draagbaar van bout, met snijwerk voorzien, waarop alleen mogen gedragen worden de dooden, die in de rapasan gelegd worden: de houten doodkist, in den vorm van een rijstblok. Pandoeng in 't R.Pao's: sarigan, wanneer van kaniala'-hout, atang, wanneer van boeangin-hout gemaakt; ook alleen gebezigd voor degenen, voor wie 't dipara'i doodenfeest gevierd wordt. De draagbaar van bamboe voor degenen, die niet dirapa'i heet: boelean (boele, „pikoelen"). — Ma'kampa, „bewaken". — Pebala' kajan, „plaats waar een bala' kajan wordt opgericht".

Blz. 60. Songko', „hoofddeksel". Tandoek gallang, „koperen hoorn"; gallang, „koperen, naar de koperen voetringen, vgl. Mal. gelang. — Ma' randing, eig. „uitdagend dansen" = matetteng. — Renge', „met een band aan het hoofd dragen", zooals de vrouwen; de last (korf hangt op den rug). — Masangka', „breed" — Boelo, „dunne bamboe-soort".

Sluiten