Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderstelt, dat het alle dingen en wezens maakt tot hetgeen ze zijn, maar dat eerst uitdrukkelijk wordt geconstateerd, wanneer het opvalt, in bizondere mate voorhanden is. Alle bergen hebben waarschijnlijk wel m a n a, maar het heeft eerst zin daarvan te spreken bij een bizonderen berg, een vulkaan bijvoorbeeld. In alle kinderen is levenskracht, maar wanneer het jonge kind begint te loopen, openbaart die zich op bizondere wijze. Bij sommige Indianen van Noord-Amerika is de term voor m a n a w a k a n d a. De prairie-stammen onder hen noemden nu het paard naar den hond en . spraken van een wakend a-hond; een reuzenhond, zouden wij kunnen zeggen, of nog beter, wanneer we ons even in de taal van .een bakvisch uitdrukken: een verschrikkelijk groote hond, of zelfs: een goddelijke hond. En in het Oude Testament spreekt nog Rachel van de zware worstelingen met haar zuster, de worstelingen van Elohim, bij de geboorte van Naphtali.

Door de ontdekking van deze kracht, die bijna overal ter wereld, onder onbeschaafde en beschaafde volkeren, haar parallellen heeft, werd het ons duidelijk, dat het principe, dat de dingen en wezens bezielt, volstrekt niet altijd een persoonlijk gedachte ziel of geest behoeft te zijn. Wil men den term „ziel" houden, dan doet men beter door met Kruyt te spreken van zielestof 1 ).

Het gaat hier om een levensstof, die wellicht met niets beter te vergelijken is dan met een electrischen stroom. Door dit beeld wordt n.1. de tegenstelling met het animisme ook duidelijk. Wordt iemand gedood, laat ons zeggen: een schipper door een draaikolk, dan zal de animist daarvoor een persoonlijk willend wezen verantwoordelijk stellen, een Scylla of Charybdis. De dynamist zoekt de oorzaak in het groote ma na van den stroom, dat „vanzelf" werkt, 't Is dus een verschil als bij een executie met het zwaard en een electrocutie. De beul kan anders, de electrische stroom niet. Hoe sterker de stroom, hoe meer hij opvalt. Gaat de dynamist evenwel speculeeren, dan komt hij al heel gauw tot de voorstelling van een albezielende levenskracht: „Gelijk het

') Onlangs liet Kruyt den term vallen. Zie Biidr. Taal-, ijand- en Volkenkunde v. N. I. Jrg. 74 en 75.

Sluiten