Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

IX.

\\ ij stellen nog eenmaal animisme tegenover dynamisme. Dit laatste heeft twee in de godsdienstgeschiedenis bizonder gewichtig geworden consequenties: i. Daar het m a n a, de levenskracht, eerst wordt opgemerkt, waar het in buitengewone mate optreedt, kan zich uit het dynamisme de tegenstelling gcwoon-buitengewoon ontwikkelen, welke in haar anders genuanceerde vormen van heilig-onheilig, natuurlijkbovennatuurlijk, van onberekenbaar groot belang is geworden, ook voor het Christendom. Wij kunnen er hier niet nader op ingaan. 2. De verpersoonlijke kracht wordt, bij theoretische ontwikkeling al spoedig tot een alkracht; dynamisme wordt monisme of pantheïsme. Het is deze consequentie, welke het dynamisme met moderne stroomingen van mystieken en speculatieven aard verbindt.

Daar staat nu het animisme in zijn wezen recht tegenover. Hier zien wij den wil opkomen; hier — met een geringe wijziging in het beeld van zoo straks — geen electrocutie' of automatisch werkende drijfkracht — hier een spannend riddergevecht, waar wil treedt tegenover wil; het loope dan uit op dood of op leven. Dat de mensch begint te spreken van zielen bij zichzelf en anderen, beteekent, dat hij bewegingen en andere levensverschijnselen uit een handelend agens afleidt. Hier schemert het besef van den wil in God en mensch. Hier wordt de mensch zich het eerst van zichzelf als persoon b e w u s t. Hier vat hij ook de machten (dunameis) in zijn leven als willende wezens op. Zij zijn willekeurig, grillig, onbetrouwbaar in vele gevallen -— dat kan zijn. Maar zij werken en willen. „Hoeveel beteekent het niet voor de religie, dat ook het goddelijke als wil en ingrijpende macht wordt opgevat?" 1 ).

Met deze woorden van Söderblom is eigenlijk alles gezegd en wordt ook de groote beteekenis van het animisme als component van ons huidig geestelijk leven aangeduid. Het primitieve dynamisme vindt zijn opvolgers overal om ons heen: in de wetenschap de ijzeren, bijna automatische, vaak haast religieus gewaardeerde wetmatigheid; in de religie de

1) Art. in Deutsch-Evangelisch, blz. 199.

Sluiten