Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1888. 3.

MAANDBERICHT

van het

Nederlandsche Zendelinggenootschap.

(Gesticht in 1797.)

(90 ste Jaargang.)

INHOCJD.

1. Zuid-Indië. — 2. De geloofsbelijdenis van eene Hindoesche christin. — 3. Verdeeling van den arbeid, bij samenwerking in de zending. — 4. Onze zending op Savoe en de naburige eilanden. — 5. Onze kweekelingen J. wijngaarden en A. hulstra. — 6. Huwelijken van de BB. graafland en de vries. — 7. Onze opgaven van geldelijke behoeften en ontvangsten. — 8. Br. Kreemer verhuisd. — 9. Lijst van giften, enz.

1. Zuid-Indië.

Ditmaal wenden wij den blik naar het zuiden van Azië. Machtige rijken en uitgestrekte landen heeft Engeland daar aan zich dienstbaar gemaakt. Maar het heeft nog iets meer gedaan dan veroveren. Hoe men ook over de onverzadelijke heerschzucht der engelsche politiek moge oordeelen, daar is iu het volk eene degelijke en krachtvolle kern, en de godsdienst is er nog eene macht, die zich op velerlei wijze openbaart. Wie heeft niet gehoord van de grootsche pogingen, die van Engeland uitgaan, om Evangelie en Christendom te verspreiden in de wereld? Niet het minst in zijne groote Indische bezittingen worden die pogingen aangewend, en voor een goed deel met zegen bekroond. In dit Maandbericht willen wij er de aandacht op vestigen, en deelen daartoe eenige bijzonderheden mede uit een werk over den godsdienstigen toestand van Zuid-Indië, dat onlangs in het licht verscheen, vooral wat er van de werkzaamheid en den invloed van bekeerde inboorlingen in wordt gemeld.

»In de zending van Travancore heeft men altijd vrijwillige pogingen, om het Evangelie onder vrienden en geburen te verspreiden, van de bekeerden gewacht en bij hen aange3

Sluiten