Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een dag uit vele.

Verplaatst u dan' met mij naar de gemeente Rembokën, op uur afstands van Langowan verwijderd. Op Zaterdagavond komen wij hier aan. Om zeven ure is er vergadering met de ouders en getuigen, wier kinderen den volgenden morgen zullen gedoopt worden. Maar deze leeraarlievende gemeente verdringt zicli als rondom mij. Het zijn niet alleen de ouders, wier kinderen gedoopt zullen worden, die tot mij komen, maar ook vele belangstellenden uit de gemeente. En thans hebben ze veel te vragen. Het zal toch wel niet waar zijn, dat ik van hen wil gaan? Ik zal hen toch niet als weezen willen achterlaten. »Zeg maar wat gij begeert, en wij zullen het doen, als gij maar bij ons blijft." Zoo maakt men mij het hart week. Zoo zou men mij nog van besluit doen veranderen. Ik hoor dus veel over mijn heengaan naar Holland. Nu spreek ik tot vaders, die hunne kinderen liefhebben, en ik vertel hun, dat ik óók zes lieve kinderen heb, die ik als de appels mijner oogen bemin. Dat ik de oudsten al in tien jaren tijds niet heb gezien, en dat de jongste pas vier jaren was, toen zij van mij heenging. Dat mijn hart naar die kinderen trekt. Dat ik echter niet zal gaan, wanneer ik daardoor voor goed van mijne gemeenten moet scheiden. Dat ik hen evenveel bemin als mijne eigene kinderen. Dat wij het daarom van het hooge Kerkbestuur zullen laten afhangen. Wanneer men mij een jaar verlof kan toestaan, met behoud van mijn' werkkring, daar deze gemakkelijk door omringende broeders kan worden waargenomen, dat ik dan zal gaan, maar mijne vrienden hier stellig beloof, tot hen te zullen wederkeeren. Nu is het hart van die eenvoudige, trouwe zielen gerust. Nu gunnen zij het mij gaarne, dat ik voor een' korten tijd heenga, »als gij ons maar belooft terug te zullen komen", zeggen zij. Die belofte doe ik gaarne, en zoo is er stof tot aangenaam gezellig gesprek. Te zeven uur hebben wij de bedoelde vergadering. Menig goed, opwekkend

7*

Sluiten