Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

cijfer wiis 1364. De kinderkerken werden gemiddeld door 375 kinderen bezocht, als hoogste cijfer 714. Te Mödjö-warnö waren hier onder begrepen de catechisaties voor kleine jongens, die voor kleine meisjes, die voor groote jongens en die voor groote meisjes. Het Avondmaal werd in de verschillende gemeenten in het geheel zevenmaal gevierd, met eene gemiddelde opkomst van 721 leden.

De acht scholen werden bezocht door 763 leerlingen, en wel 425 van christen 338 van mohammedaansche ouders.

Er werden in het geheel 3368 zieken (van welken 614 aan oogziekten) behandeld; aan dezen werden 18314 maal geneesmiddelen verstrekt; 1998 meldden zich aan als hersteld, 33 overleden; van 1337 ontving de zendeling geen bericht, of zij bleven nog onder behandeling.

4 Omtrent de zending Kediri bericht Br. Poensen o.a. het volgende:

»Het getal der gemeenten werd weder met eene vermeerderd, die door gunstige plaatselijke gesteldheid en den persoon, die zich aan het hoofd der nederzetting heeft gesteld, iets goeds voor de toekomst belooft. In eene boschachtige streek van het district Soekö-redjo hebben zich drie chriBtenhuisgezinnen gevestigd, op eene plaats in het ressort van de desa Taloen. Gunstiger gelegenheid voor Inlanders, die eene desa met de noodige rijstvelden wenschen aan te leggen, is niet te vinden. En de man, die de ziel der onderneming is, munt uit door ijver en vromen zin." De geschiedenis van dien man is merkwaardig. Na aanvankelijk de beste verwachtingen gewekt te hebben, waardoor hij ook tot hoofd van zijn dorp gekozen werd, bleken de velerlei verleidingen aan die betrekking verbonden, hem te sterk te zijn, zoodat hjj in afdwalingen en zonden verviel, die hem geheel van den zendeling vervreemdden. Zoo geraakte hij ook in diep verval. Onder dit alles was het zijne vrouw, eene wakkere christin, die hem op den goeden weg terugbracht; en na zware beproevingen geheel tot inkeer gekomen, wendde hij zich als berouwhebbende tot onzen Broeder, die na ernstige beproeving vrijmoedigheid vond, hem weêr onder zjjne vertrouwden op te nemen. Poensen deelt in bijzonderheden de geschiedenis van dezen man mede. Later zullen wij gelegenheid hebben daarop terug te komen.

• Al de gemeenten", schrijft Poensen verder, »bleven gedurende het verslagjaar in wezen." Segaran, dat, in 1886, 31 zielen telde klom, ten gevolge van verhuizing, tot een cjjfer van 83." De oorzaak van zulke verhuizingen is grootendeels gelegen in onvol-