Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

had aangehouden, dan hij deed, dan waren de schepen verloren gegaan. Dat was de kans, die hij liep bij zijne onderneming. Maar men ontdekt geen land en men kan niets winnen, wanneer men niet enkele kleine schepen er aan waagt." "

Niet minder behartiging verdient een woord van Professor P. A. van der Lith , voorkomende in het October-nommer van »de Gids", waar hij het belangrijk werk van Dr. Joh. G. F. Riedel, »de sluik en kroesharige rassen tuaschen Celebes en Papoea" bespreekt. Wij lezen daar:

• De geschiedkundige aanteekeningen, door den Heer Riedel medegedeeld, zijn uit den aard der zaak kort, maar toch leerrijk, daar zjj ons op nieuw doen zien, hoe eene politiek als die der Oost-Indische Compagnie voor de bevolking de meest treurige gevolgen had, en alle liefde jegens hare overheerschers uitdoofde, zelfs waar dezen denzelfden godsdienst als de inlanders beleden. . .

.... Helaas! ook na den val der Compagnie werd niet veel beter gehandeld. Eeuwen zal het duren, voor dat die bittere naweeën van vroeger wangedrag geheel zullen verdwenen zijn. Dat een van de beste middelen daartoe ligt in de bevordering van de uitbreiding van onzen godsdienst onder de heidensche stammen, is mijne vaste meening, die onveranderlijk gebleven is, sedert ik haar vroeger heb uitgesproken. Ik ben voorzeker geen aanhanger van de richting, die thans in het moederland aan de Regeering is gekomen, maar ben toch volkomen overtuigd, dat zij in Indië groot nut kan stichten, door eene taak krachtig ter hand te nemen, die door vorige besturen maar al te zeer werd verwaarloosd: bestrijding van den Islüm, die alleen bekampt kan worden door de bekeering van de heidensche inlanders, welke anders zeker eenmaal moslemen en daarmede vijanden van ons gezag zullen worden. Doch dan gepaard met rechtvaardig bestuur, en op eene andere wijze, dan waarop dit onder de Compagnie werd ondernomen, terwijl de beide fractiën onzer parlementaire meerderheid (l) wel doen zullen elkander alleen in het moederland te bestoken, maar in Indië er naar te streven, elk een afzonderlijk arbeidsveld te bewerken, zonder, zoo als nu maar al te zeer tot schade van de goede zaak van catholieke zijde geschiedt, den tegenstander op diens eigen terrein te bestoken. Bedroevend is het te vernemen, dat van tijd tot tijd heidenen hun verlangen naar aanneming van het Christendom hebben geopenbaard, maar dat door de ambtenaren werd tegengegaan, en dat een hoofd zelfs te dezer zake met verwijdering werd gestraft. Waar, zoo als de schrijver zich zoo juist uitdrukt, het systeem van boeleering met den Islam gevolgd werd, kan van dit verlangen geen notitie genomen worden! Wil men weten, welke middelen de moslemen aanwenden, om de uitbreiding van het Christendom tegen te gaan, zoo leze men de vermelding, dat dit o. a. geschiedde door uit te strooien, dat alle nieuwe christenen als soldaten naar Java zouden

(1) Laat ons leggen Rooinscheti en Protestanten. Red.

Sluiten