Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

samen met onze kinderen, gaven ons kind den Heer over, en vertroostten elkander met de woorden der Heilige Schrift. Hoe groote liefde betoonde ons de Heer, daar juist onverwacht de jonge mijnheer, onze leeraar van Mödjó-warnö kwam. Moge deze ook ter kennisneming van de gemeenten in Malang strekken.""

»Te treffender is dit geval, daar Mattheus nog maar zeer kort geleden een ander kind verloor. Daar er juist dien avond bijeenkomst was, las ik Mattheus briefkaarten voor, wees op der ouderen en kinderen geluk door het waarachtig geloof, en sprak over Matth. 19: 13—15."

Het zal niet ongepast zijn, hier te herinneren wat Br. Kbuijt ons in 1885 van genoemden Mattheus schreef.

»Zie hier een en ander uit een' brief van onzen Javaanschen helper Mattheus te Soerabaja, dien hij ons uit de volheid zjjns harten, na zware beproeving wegens gelijktijdige ziekte van hemzelven en bjjna al de zijnen, schreef. Zijn ijver en recht christelijke wandel worden dan ook erkend door allen die hem kennen. Het luidt:

»»Ik gevoel, dat ik een groot heil verkregen heb. God de Vader, die in 't hart ziet, maakt steeds Zijne liefde aan mij zeer groot. Van jongs aan was ik begeerig naar de ware gelukzaligheid. Ik had kluizenaar willen worden, evenals de menschen hier op Java in vroegeren tijd, als mijne ouders het mij hadden toegestaan. Dikwijls bezocht ik mohammedaansche leeraars in hun pondok (verblijfplaats). Ik hoorde ook wat zij lazen, met de Javaansche verklaring er bjj; doch ik kon die niet begrijpen, en had er geen nut van voor mjjn hart, daar zjj steeds op zangerigen toon zonder tusschenpozen werd uitgesproken.

»»In dien tijd opende een mijner bloedverwanten, die christen was, Johannes, eene school voor Javanen te Kapoetan. Deze mocht ik bezoeken. Toen ik al in de Evangeliën lezen kon, begon ik iets te verstaan van de geschiedenis van den Heer Jezus. Het was mij, alsof ik door een licht bestraald werd. Nogtans was het licht in mjjn hart nog in duisternis gehuld. Mjjn hart dacht onophoudelijk na, des daags en des nachts. Toch ging ik voort in de Evangeliën te lezeu, en het werd mij meer en meer helder, wat de gevolgen van de zonde zijn, daar de kwaden ten laatste vergaan in de hel. Toen kwam er groote vrees in mijn hart. Ik legde er mjj op toe, om de booze neigingen van mijn hart niet naar buiten te doen komen. Edoch, zoo dikwijls als ik niet dacht om hetgeen ik gelezen had, maakte opvliegendheid zich weder van

Sluiten