Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

daar wonende, en waar ik beloofd had, dien avond te zullen komen.

Ik ontmoette ten huize van den Heer V. eenige Europeesche Heeren en Dames, en ook sommigen van zijne Javaansche vrienden of bekenden; terwijl in de buitengaanderij onderscheidene koetsiers en knechts van zijne rijtuig-verhuurderij hadden plaats genomen. Mij noodigde de Heer V. uit in het midden aan eene tafel te gaan zitten; en nadat aan alle gasten, die binnen zaten, een kop sterke koffie met gebak was aangeboden, begon ik mijne landgenooten aldus toe te spreken:

»Vrienden en broeders, die hier samen zijt! ik wil u eens iets vragen. Wat zouden de menschen, als schepselen Gods hier op aarde, wel verplicht zijn te doen? Op hoeveel zaken zou dit kortelijk nederkomen?"

Hierop antwoordde één uit het gezelschap, met name Madnoer: »als u daarnaar vraagt, is er nog al wat te noemen; want de plichten van een' mensch hebben geen einde."

Ik. Dat is wel zoo, Madnoer! maar ik heb immers ook alleen gevraagd naar den korten inhoud daarvan.

Soeléman. Als u 't zoo bedoelt, wie kan dan weten, wat eigenlijk de plichten van een' mensch zijn!

Daarna wendde ik mij tot een' nog jeugdigen hadji, Mad Saleh geheeten, die zich mede in den kring bevond, en vroeg wat hij er wel van dacht?

»Wat ik er van denk" antwoordde de hadji »dat is zeer eenvoudig: Kandjeng Nabi Rasoeloellah (1) heeft ons ten plicht gesteld, de dagelijksche gebeden te verrichten, de pitrah (2) te betalen, en op den bepaalden tijd te vasten. Dat is mijne opinie." (3)

(1) D. i. Mohammed.

(2) Pitrah is eene belasting in rijst of geld, bij het einde der vasten aan de priesters opgebracht.

(3) De hadji had er nog wel wat kunnen bijvoegen; doch hij - of Asa - schijnt slechts te noemen wat hem het eerst voor den geest komt.

Sluiten