Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voor de christenen opgedragen is aan den Gouverneur-generaal.

Wij wezen er op, dat art. 124 het zoo goed als onmogelijk maakt voor de Regenten op Java, als zij hunne waardigheid willen blijven bekleeden, tot het Christendom over te gaan.

Zoo kwam ons ook voor, dat er voor de christen-Javanen bezwaren bestaan in de rechtspleging, in het afleggen van den eed, in het sluiten van huwelijken met wat daaraan verbonden is, in de wijze waarop zjj door mohammedaansche hoofden en zelfs door ambtenaren beschouwd en behandeld worden, enz. Wij rekenden het daarbij noodig, dat de nainen, enz. der christen-Javanen wettelijk werden opgenomen in registers, die getuigen konden van hun burgerlijk bestaan en hen bekend zouden stellen als christenen. Eindelijk wezen wij op het ontzeggen aan de zendingscholen van geldelijke ondersteuning, zoo als die in Indië aan bijzondere scholen verleend wordt, en dat niettegenstaande zij in allen deele beantwoorden aan de eischen van voldoend inlandsch onderwijs.

Tot nog toe is ons niet gebleken, dat van de zijde der Regeering wetsvoordrachten te wachten zijn in betrekking tot de bovengenoemde onderwerpen; wel hebben wij bewijzen, dat de Minister onderzoek in 't werk stelt.

Ten slotte vermeldden wij nog drie onderwerpen, wier verwezenlijking ons wenscheljjk voorkomt.

1°. Achten wij het zeer wenschelijk, dat het getal Europeesche en Inlandsche Hulppredikers vermeerderd worde, en dat de eersten door opleiding en practische vorming zich in eigen werkkring doen kennen als ware Zendelingen. Daardoor zouden nog tal van eilanden in de buitenbezittingen met de Evangelieverkondiging bevoorrecht kunnen worden.

Tot ons leedwezen moesten wij sedert vernemen, dat de Regeering niet voornemens is bet getal hulppredikers te vermeerderen, hoe wenschelijk dit ook zou zijn, terwijl zulke mannen van zooveel nut kunnen zijn, ook ter voorkoming van het verbreiden van den Islam, op de Aroe-, de Zuidwester-eilanden, Ceram, Rotti, waar óf nog geen Hulpprediker geplaatst is, óf minstens een twee- of drietal zouden gevorderd worden, en waarbij de Regeering geheel binnen de grenzen der wettelijke bepalingen zou blijven, omdat men er kan wijzen op overblijfselen van gemeenten, die uit haren staat van versterving konden opgebeurd worden.

2°. Achten wij het zeer wenschelijk, dat de verschillende afdee-

Sluiten