Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

door de Regeering zal worden toegelaten. Dit worde niet vergeten, dat onze strijd niet is tegen Rome, wel tegen de wijze waarop het zijnen invloed zoekt te versterken, zijne macht zoekt uit te breiden. Niet vergeten worde, dat wij nooit iets anders hebben gevorderd dan vrije werking van elke christelijke vereeniging op den akker eenmaal door haar ingenomen, zonder inmenging van anderen, en dat wij van onze zijde ons daaraan steeds strikt gehouden hebben, getuige laatstelijk nog onze gedragslijn ten aanzien van Soemba.

Laat ons dit gedeelte van ons verslag eindigen met de woorden, waarmede onze Broeder Rooker het zijne besloot: »'s Heeren genadigen zegen bidden wij af over alles wat in onzen arbeid naar Zijnen wil en Hem welgevallig ia. Dien zegen mogen wij geloovig verbeiden."

Nog blijft ons over een en ander mede te deelen omtrent de werkzaamheden en den staat van ons Genootschap hier te lande. Wij zouden ondankbaar zijn, als wij nalatig bleven in getuigen van het vele goede, dat ons daarbij te beurt valt. Werden wij niet van vele zijden gesteund? Tellen wij niet een aanzienlijk getal wakkere medebestuurders? Ontvingen wij niet uit ruim 600 plaatsen geldelijke bijdragen van verschillenden aard? En hoevele vereenigingen hebben daartoe niet mede gewerkt! Vergeten wij hierin niet de hulp verleend door Bestuurders en Bestuurderessen van de Hulpgenootschappen, bijzonder van de Vrouwenhulpgenootschappen, van de Kwartguldenvereeniging, van de Vereenigingen ter bevordering van de Zendingzaak. Vergeten wij niet hoe niet weinige Predikanten de belangen van ons Genootschap in het openbaar en bij hunne bezoeken in de huisgezinnen aanbevalen, hoe zij door het plaatsen van bussen in hunne catechisatiekamers hunne leerlingen in de gelegenheid stelden van hunne belangstelling in de zending blijken te geven; hoe anderen door particuliere collecten bijdroegen tot onze inkomsten. Vergeten wij niet hoe vele kerkeraden, ook in O.-Indië, de gemeenten in staat stelden op Pinksteren en andere christelijke feestdagen van het hare tot instandhouding van ons werk bij te dragen. Vergeten wij niet enkele kerkvoogdijen, die een deel van hare inkomsten afstonden tot dat doel. En behoeven wij hier nog bijzonder te vermelden, of geschiedt zulks niet gedurig in onze maandberichten, de drieu aandskaarten, de cents-, driecents-, vjjfentwintigcentscollecten ?

Sluiten