Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ku 1S90 zal nog veel meer vorderen. Zoo als wij boven reeds mededeelden, moeten dan vier van onze oudste kweekelingen worden afgevaardigd. De dienst in lndië vordert dit; doch niet minder zullen wij daartoe geroepen worden, wanneer onze kweekelingen, na eene welgeslaagde voorbereiding, aanspraak hebben op plaatsing; wanneer het dubbel zedelijk en niet gering stoffelijk verlies zou teweegbrengen, indien hunne uitzending ook maar één jaar moest worden uitgesteld. Inderdaad wij moeten daaraan niet denken, wij kunnen ons dit niet voorstellen.

Zou het niet mogelijk zijn door verhoogde krachtsinspanning zulk eene ramp te voorkomen? Zou het niet mogelijk zijn in tijds maatregelen te nemen om in dit jaar het benoodigde, en in 1 890 een verhoogd cijfer te verkrijgen?

Broeders en Zusters, Vrienden en Vriendinnen van ons Genootschap! Wilt ons steunen. Het is duidelijk, dat de eischen voor de Evangelisatie moeten stijgen, naarmate ons ruimer gelegenheid geopend wordt voor dat gewichtig werk. Het is bekend, dat van vele zijden wordt aangedrongen op het vermeerderen van het getal zendelingen. Zullen wij deze teekenen der tijden onopgemerkt, de gelegenheden ons geboden, ongebruikt laten voorbijgaan ? Het kan niet in uwe bedoeling liggen. Vermeerderen onze contributies, mogen wij ons in aanzienlijke giften verheugen, kunnen van de zijde der Hulpvereenigingen vermeerderde bijdragen verwacht worden en beantwoorden de collecten aan verhoogde belangstelling, dan zal ons werk onder Gods zegen vooruit gaan, dan zullen wij ons met u in vruchten op onzen arbeid mogen verheugen. Laat deze bede tot uwe ooren ingaan! Beschaamt onze verwachtingen niet.

In ons zendelinghuis waren in 1888 de kweekelingen T. J. Bezemer, A. C. Kruijt, M. Koning, A. Munsterman , C. D. Moulijn en J. 11. Rooker , de adspirant-kweekelingen M. Joustra en H. Brolsma en de kweekelingen in proefjaar A. Voorwinden, F. de Munnik. J. H. Letteboer, D. Louwerier en J. D. de Jong , van welken door hunne onderwijzers ten aanzien van gedrag, vlijt en gezetten toeleg niet dan gunstige getuigenis wordt afgelegd, zoodat wij van de kweekelingen mogen verwachten, dat zij goede, getrouwe evangelieboden zullen worden, die hunne zielen hebben overgegeven aan den Heer.

Sluiten