Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

slecht figuur zouden gemaakt hebben op eene meisjesschool in Nederland.

Aan eene beschrijving der menigte handwerken, durf ik mij niet wagen, doch zag wel, dat het vrouwelijk gedeelte, dat de openbare les met hare tegenwoordigheid vereerde, bijna niet van al die handwerkjes was weg te krijgen. Nu het was dan ook wel de moeite waard om dit alles meer dan oppervlakkig te beschouwen, zoowel eenvoudig naai- en breiwerk, als borduur- en stopwerk.

Onmogelijk is het mij, van iedere les een geregeld overzicht te geven. Men kwam ooren en oogen te kort. Terwijl de hoogste klassen ]azen, en anderen matjes vlochten, waren de beide laagste klassen onder leiding van Mej. Ulfers bezig met spelend zingen en een weinig kamer-gymnastiek. Waarlijk het hart ging inij daarbij open, gaarne had ik mij nog eens op eene ljjn met die kleintjes gesteld om deelgenoot van haar spel en zang te zijn.

Hoe wenschte ik, dat vele onderwijzers in de Minahassa, die steeds met de handen in het haar zitten, als van uitspanning voor de leerlingen wordt gesproken, die niet weten wat te doen gedurende dien tijd, en daarom de leerlingen liefst maar laten ravotten en schreeuwen, dit eens gezien hadden, om te trachten ook zulke spelletjes na te volgen.

Terwijl de 3de klasse las uit Tjebbes leesboekje: »Nu aan 't vertellen" en wel het stukje: »de schoolverzuimen," hadden de jongere leerlingen eenige schrijfoefeningen op de lei. De bespreking van de leesles liet niet te wenschen over, terwijl de verandering der tijden, voor vele kinderen in Indië zoo moeielijk, zeer nauwkeurig werd aangegeven.

De hoogste klassen hadden rekenonderwijs bij Mej. Cramer. Het voorstel, dat op het bord werd uitgewerkt, was uit het 3de stukje van Radersma blz. 21 N°. 9. De bewerking ging niet alleen vlot, doch ook bet beantwoorden der vragen, die er tusschen in werden gedaan, mede over de gewone breuken, toonde aan, dat de leerlingen met vrucht dit onderwijs hadden ontvangen.

Bij een' mijner inlandsche leeraars hadden de beide oudste klassen aardrijkskunde van de Minahassa en Nederlandsch Indië. De antwoorden daarbij ljeten nog al wat te wenschen over. Ter verschooning valt misschien op te merken, dat door den onderwijzer verzuimd was de aardrijkskunde der Minahassa te herhalen, terwijl die van Nederlandsch Indië misschien op enkele punten wel wat boven zijne krachten ging, ten minste om dit onderwijs duidelijk aan zulke kinderen te geven.

Sluiten