Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer Jezus. Met opgewektheid vertelde ik, omdat ik zag dat men aandachtig luisterde.

Daarna kwam de penghoeloe om met mij over alles en allerlei te spreken. Hij vroeg hoe de "Compagnie" (het Gouvernement) tegenover de hoofden in de Minahassa staat. Ik deelde hem daaromtrent mede zooveel als mij goeddacht. «Bij ons hier is het anders, waarom?" zoo vroeg nu weder de penghoeloe. Ik zeide: «misschien is hier eene andere regeling, omdat de Battaks nog zoo weinig van de dingen begrijpen; zij volgen in het geheel nog niet de gewoonten van de //Compagnie"; zij werken in het minst niet, zoodat hier bijna in "t geheel nog geene wegen zijn."

//Ja dat is waar," aldus de penghoeloe, «Mijnheer de Controleur spreekt altijd over wegen maken, als wij vergaderen. Ik heb Mijnheer gezegd, dat zulks moeilijk zal gaan, omdat de Battaks zoo lui zijn. Ik begrijp de «Compagnie" nog niet; ik denk dat dit komt, omdat ik niet kan lezen en schrijven; daarom verzocht ik vroeger ook reeds een 1 goeroe aan den Toewan Controleur. Mijnheer zeide, dat ik maar aan den Toewan Pandita te Boeloeh-Hawar moest vragen. Nu heb ik een' goeroe, wat mij zeer verheugt. Ik hoop gauw de Hollandsche letters te leeren, het zal zoo prettig zijn, als ik kan lezen en schrijven."

's Avonds kwamen er weer eenige menschen, ook aan wie ik 's morgens verteld had. Ik onderzocht, of ze er iets van onthouden hadden. Op verschillende vragen wisten zij mij te antwoorden. Ik zeide, dat als wij God en Jezus Christus kennen, wij ons gelukkig gevoelen; wij kunnen dan alles tot God spreken, alles wat er in ons hart is; alles mogen wij Hem vragen, en zoo het iets goeds is, geeft de Heer het ons. God hoort en verhoort onze gebeden. Ik vertelde daarbij de geschiedenis van Hizkia, hoe God hem op zijn gebed deed herstellen.

24 April. Van morgen ging ik uit om brandhout te zoeken. Thuis komende veegde ik het geheele erf schoon. Allen, die dit zagen, waren zeer verbaasd, zeggende: «waarvoor doe je dat?" «Wel om niet ziek te worden," was mijn antwoord.

Ik was nog niet klaar, toen er 4 vrouwen kwamen, om medicijn voor hare kropgezwellen. Toen ik den naam van ééne der vrouwen vroeg, zeide zij, dat zij de vrouw van den penghoeloe was (uit eene andere kampong). Het volgende gesprek ontspon zich. Zij: «Van waar ben je?" Ik: Van Menado." Zij: «Hebt ge nog vader en moeder?" Ik: «Mijn vader leeft nog, mijne moeder is reeds gestorven." Zij : «Hoeveel broeders en zusters hebt ge?" Ik: «Acht." Zij: «Mag ik je familie eens opzoeken?" Ik: «Wel zeker, maar zij wonen ver

Sluiten