Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

vreemdelingen en wat van hen komt is teweeg gebracht.

Maar, althans gedurende liet jaar 1893 was de toegang tot de hoogvlakte hem ontzegd, en niet zonder billijke reden. Reeds in het begin van Januari, toen hij zijn eerste reisje in die richting maakte, tot aan den voet van den Tjinkem-pas, vernam hij daar, dat er onlusten in de bovenlanden waren uitgebroken en er gevechten tusschen verschillende stammen plaats vonden. En toen hij in Februari verlof vroeg om met eenige lieden van Boeloeh llawar naar de hoogvlakte te gaan, waar zij aan een zeker feest zouden deelnemen, maakte de Resident, wien hij verlof daartoe moest vragen, daartegen ernstige bedenkingen, wijl de daar heerschende onlusten het onraadzaam maakten, dat Europeanen zich daar vertoonden. Daardoor was hij alzoo genoodzaakt om voorloopig zich in zijn werk tot de omstreken van Boeloeh Hawar te bepalen en daar vriendschappelijke betrekkingen met de kampongbewoners aan te knoopen.

Van rechtstreekschen Zendingarbeid door godsdienstige samenkomsten en prediking kan nog weinig sprake zijn. Nog slechts enkele voren zijn op dit nieuwe arbeidsveld getrokken, waarin zaadkorrels gestrooid kunnen worden; slechts een enkel plantje is er ontloken, 't welk hoop geeft op vrucht. Battaks, tot het Christendom overgegaan en gedoopt, vond Br. Wijngaarden nog niet. Wel vond hij daar de gezinnen, uit de Minahassa door zijn' voorganger daar heen overgebracht, en dezen met een Savoeneesche Christen, dien hij zelf had medegebracht, waren de geloofsgenooten en helpers, die hem bij zijn verder streven moeten steunen.

Eerstgenoemden hadden, na 't vertrek van Br. Kruijt, niet veel kunnen uitrichten dan in hun' naasten kring wat vriendschappelijken omgang met de Battaks te onderhouden. Na eenigen tijd oordeelde Br. Wijngaarden terecht, dat zij niet samen moesten blijven, maar aan ieder een eigen werkkring als onderwijzer diende te worden aangewezen.

Hij zocht dus gelegenheid om hen in de naburige kampongs te plaatsen en daartoe toestemming en medewerking van de dorpshoofden te erlangen. Allereerst was daartoe zijn oog op Sala-boelan gevestigd, omdat daar, zooals wij reeds mededeelden, de hoofd-penghoeloe woonde. Bij dezen had ook reeds Br. Kruijt pogingen in die lichting aangewend, maar zonder goed gevolg; hij had zich steeds wantrouwend betoond en gezegd, dat de Battaks te dom waren om iets te leeren.

Tocli bleek eerlang zijne stemming niet bepaald ongunstig. Een toeval bracht dit aan het licht. Op weg naar een' zieke rustte Br. Wijngaarden een poos in de djamboer (het jongelieden en vreemdelingenhuis) en vond daar een paar jongens, van

6*

Sluiten