Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

blijken, wanneer die enkelen tot duizenden zullen zijn aangegroeid. God geve, dat die uitzichten van den ijverigen hoopvollen zaaier van het goede zaad mogen worden vervuld en hij zelf nog de aanvankelijke vervulling zijner hoop moge aanschouwen !

Bij dezen overgang is niet de gewoonte gevolgd, die elders bij de werkzaamheid onzer zendelingen vrij algemeen is, dat de gedoopten hunne oude namen aflegden en nieuwe, onder christenen gebruikelijke, aannamen. Br. Wijngaarden ziet niet in, waartoe zulks noodig is of nuttig kan zijn. Wel erkent hij, dat een nieuwe naam een zinnebeeld kan zijn van, en eene gedurige herinnering aan de innerlijke vernieuwing, die het Christen-zijn met zich moet brengen. Maar dan moet die nieuwe naam niet alleen eene daarmee overeenstemmende beteekenis hebben, maar ook als zoodanig verstaan worden. En dit laatste is natuurlijk bij den inlander niet het geval; hij kan de beteekenis, die menige Christennaam heeft, niet verstaan. Wilde men hem een 1 nieuwen naam geven, dan moest die uit zijne eigene taal ontleend zijn. En van dien aard schijnt dan ook de naam te zijn, dien hij bij den doop aan het zooeven vermelde kind van het toegetreden Battaksch echtpaar heeft gegeven ; hij noemde het Si Pengharapan, daarmee te kennen gevende, //dat er iets goeds van dat kind verwacht mag worden."

Is de doop van deze enkelen nog slechts een klein begin; zeker zouden er meer volgen, wanneer maar eerst een of meer der hoofden het voorbeeld gaf. Eén was er, omtrent wien Br. Wijngaarden goede hoop koesterde; 't was de penghoeloe van Tandjong Beringin, de kampong waar ook het aantal schoolbezoekende kinderen 't grootst was, nl. 15, en dit ofschoon zij in bevolking de kleinste was, slechts 180 zielen tellende. Maar de penghoeloe daar had zelf reeds vroeger den Controleur om eene school gevraagd. En toen deze hem naar den Zendeling had verwezen en Br. Wijngaarden gaarne aan zijn' wensch wilde voldoen, had hij den onderwijzer met raad en daad geholpen , liet voor dezen eene woning bouwen en wekte de kinderen op om school te gaan. Dit alles wekte bij Br. Wijngaarden de hoop, dat deze man eerlang christen zou zijn geworden. Maar hij werd ziek, en stierf den 25 slen November jl.

Vragen wij nu, hoe de Zendeling, in aanraking met de inlanders tracht te komen, hij deelt ons daarvan het volgende mede.

a Door eiken Zondag met zijne helpers Godsdienstoefening te houden, te Boeloeh Hawar, waarbij ieder mag toetreden. Meestal werd daaraan deelgenomen door een twintigtal Battaks, dan meer dan minder, die echter niet geregeld bleven luisteren, maar dikwijls af en aan liepen. Daarbij werd geen geregelde

Sluiten