Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

het nu nog maar gebrekkig, een gesprek met hen gaat goed. Wij begrijpen elkaÊlr; een' enkelen keer wissel ik wel eens een briefje met de njora's over huiselijke zaken, dat ze dan kunnen lezen en begrijpen. Van mijne taalstudie komt niet veel, daar mijn beste man zoo geheel opgaat in zijn werk, dat er geen tijd gevonden wordt oin mij te onderrichten.

Maar nu sprak ik u nog niet over mijne battaksche vrouwen en meisjes. Laat ik u eerst zeggen, dat ik van haar houd, al vergen ze soms wel wat heel veel van mijn geduld. Een klein weinigje begrijp ik nu van het battaksch; en van hare vertellingen versta ik niet alles, misschien de kleinste helft nog niet, maar hare bedoeling begrijp ik. Mijn eerste werk is altijd ze boven (in huis) te noodigen en sirih te presenteeren; ze houden erg veel van een sirih-pruimpje. Wijngaarden gaat ook altijd uit met de kampil, waarin alle benoodigheden voor het sirih kauwen. Zijn er geen sirihbladen, dan komen ze niet zoo druk, maar weet men, dat ze er zijn, dan komen er velen. Mijne eerste vraag is altijd maar: sirih eten Moeder? waarop ze meestal met een hoofdknik antwoorden. Intusschen doe ik mijn best een praatje aan te knoopen; daarin heb ik een uitstekend voorbeeld aan mijn' man. Het is moeielijk altijd stof tot praten te vinden. Wij ontvangen de inenschen op onze voorgalerij. Komen zij in huis, dan zijn ze onverzadelijk met alles te bezien; vooral de spiegel wekt hare bewondering. De phengoeloe gaf ons eene photographie, een groep van de kampongbewoners in der tijd door Br. Kruijt gemaakt. Met veel genoegen komt men er altijd weer naar zien. Staat bijv. een gestorvene er op, dan komen ze dien dikwijls zien, en beweenen dan den doode. Eene moeder vindt er het portret van haar kind; eene vrouw dat van haren man, en zoo worden ze tot ons gelokt. Wat het doen van eenig handwerk aangaat, zooals naaien, haken of iets dergelijks, dat is de vrouwen geheel vreemd. Deze naaien nooit; een enkele die het wel eens geprobeerd heeft. Toen ik een' korten tijd hier vertoefd had, was het mijne eerste gedachte haar wat van dien aard te leeren. Thans vind ik beter die zaakjes nog een poosje te laten rusten. Vooreerst ben ik bevreesd, dat als ik aan zou dringen met ze te willen leeren naaien, ze bang zouden worden en ik ze daardoor van mij zou afstooten. Als het mij lukt een gesprek met haar aan te knoopen, is dat vooreerst genoeg. Later hoop ik ze tot huisvrouwen te vormen, voorzoover dat in mijn vermogen is.

Wat ik steeds opmerk is hare verbazing, dat ik altijd werk in huis vind. Anderen, die niet druk hier komen, denken, dat ik den halven dag slaap. De vrouwen van Boeloeh-Hawar weten nu zoowat

Sluiten