Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was men druk in (le weer met het zoeken van allerlei bladeren, wortels en kruiden. Alle goeroes, oude vrouwen, min of meer vermaard, moeslen worden geraadpleegd; de eene had dit, de andere dat uitstekend middel voor deze kwaal; met dat al werd de vrouw niet geholpen. Nog eens en weer liet ik zeggen, dat er geen behoud voor de vrouw te wachten was, zoo er niet krachtig gehandeld werd. Evenwel te vergeefs. Zoo ging de dag voorbij; eveneens de nacht. Den volgenden morgen ging ik zelf zien. Dadelijk toen ik het huis binnen kwam werd mij gezegd, dat de kraamvrouw al beter was. Het bleek ten duidelijkste, dat men mijne hulp niet verlangde. Onverrichter zake keerde ik terug. Na twee etmalen stierf de vrouw.

//Aan den avond gingen mijne vrouw en ik naar liet sterfhuis om de vrouw te zien en een woordje tot de nabestaanden te spreken. Om de gestorvene heen zaten vrouwen hare klaagzangen te huilen. Iedere nieuw binnen komende barstte in een vreeselijk geween uit, wierp zich op het lijk, kuste het en verloor zich dan in een snikken zonder einde. Het kindje zagen wij niet. De moeder van de gestorvene maakte er ons attent op. Zij lichtte een kain (doek) op, en daar lag het wicht, vuil in hooge mate op den buik van de moeder. Ik vroeg wat er van het wurm moest worden? Ja dat wist men niet. Of eigenlijk men wist het wel, maar wilde het ons niet zeggen; er werd reeds van gemompeld het kindje te dooden. Dit is gewoonte. Kinderen waarvan de moeder bij de geboorte sterft zijn ongelukskinderen. Zij verdienen niet te leven. Zij veroorzaken toch niet anders dan onheil. Voor zich zeiven zijn zij in bijzondere mate gelukkig, anderen brengen zij niets dan verderf. En daarom doodt men die schapen: men drukt ze dood of werpt ze weg in den stal of onder het huis. Zoo was het hiergenoemde kindje ook reeds ten doode opgeschreven.

//Ik vroeg den menschen of er niemand was, die voor het moederlooze kind zou kunnen zorgen: er waren toch genoeg zoogende moeders in de kampong. Niemand, die zulks wilde. Dit was ook al weêr pantang. De moeder van de gestorvene vroeg nu of de vrouw van mijnheers tuinman zich niet over het kindje zou willen ontfermen: die was toch ook zoogende. Ik zeide, dat ik zulks niet wist. Mijne vrouw en ik hadden met het arme schaap van een kind te doen. Nog altijd lag het op den buik van de moeder. Wij besloten het maar te nemen, als er niemand was, die er voor wilde zorgen. Ik zeide zulks aan de familie. Nu, daarmede was men ingenomen. Het zijn toch slimme lui, die Battaks, erg practisch, maar ook erg ongegeneerd. Zoodra ik het voorstel gedaan had, dat wij het kindje zouden nemen, hoorde ik de grootmoeder mompelen:

Sluiten