Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

van de groote zaak des Evangelies - de komst van het Godsrijk - waarvoor zij zich wilden geven en waaraan hij steeds met verstand en hart al zijne gaven en krachten wijdde. Naast zijn arbeid in de gemeente was het Zendelinggenootschap hem alles. Blijde was hij, als er reden tot juichen was, en als de zorgen daar waren - finantieële zorgen voornamelijk - was hij diep bekommerd. Toch hield hij altijd goeden moed, en wist hij steeds, met een enkel gezegde, het geschokte vertrouwen bij den wankelmoedige te sterken, want hij geloofde, dat God niet zou laten varen het werk zijner handen. Helaas, dat hij in zijne ziekte van dat geloof niet met helder bewustzijn heeft mogen genieten; de aard zijner ongesteldheid bracht dit mede. Toch was hij tot het einde bezig met de dingen van Gods Koninkrijk en tobde hij over het Genootschap, waarvoor hij in zijne gezonde dagen leefde; wij mogen zeggen: leefde. Hem zij daarvoor in deze regelen hulde en dank gebracht! Hij is heengegaan, de man, die getrouw was en die vroom was en goed; in wiens scherts zelfs altijd iets lag van heilige ernst. Moge hij nu bij zijn God en Heer in helder licht zien, wat hier op aarde voor hem zoo donker moest zijn! God alleen weet, waarom de jaren zijner rust - naar den mensch gesproken - de sombersten zijn geweest van zijn leven.

2. Deli. Zending onder de Karo-Bataks.

Het tweede jaarverslag van onzen zendeling Joustra ligt voor ons. Van zijn eerste verslag gaven wij in ons Maandbericht n°. 5 van 1896 een overzicht en sluiten ons daarbij aan. Hij zelf noemt het jaar 1896 een veelbewogen tijdperk, beginnende met goede verwachtingen, gevolgd door teleurstellende en ontmoedigende omstandigheden, en ten slotte toch bekroond met onverwachten zegen en moedgevende teekenen.

Hij begint met eene beschrijving van den uitwendigen toestand van zijn arbeidsveld. Hierover kunnen wij kort zijn. De bergketen, die de grens vormt tusschen gouvernements- en onafhankelijk gebied, loopt van het oosten naar het westen en is niet moeilijk te bestijgen. Maar tal van uitloopers der bergen, die van het zuiden naar het noorden gaan, maken de

Sluiten