Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

elk in hunne eigene taal begroette, werd Gezang 238 : 4 en 5 gezongen, en daarna het woord gegeven aan den feestredenaar voor deze ure, Br. J. Craandijk, van Haarlem. In kernachtige, bezielde taal trachtte deze woorden te geven aan hetgeen aller hart vervulde. Uitgaande van het woord des apostels: „Hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag," schetste hij de veelsoortige moeilijkheden, waarmede het Nederlandsche Zendelinggenootschap in de eeuw van zijn bestaan te worstelen had gehad: door het wegvallen van edele persoonlijkheden, zoo hier als in Indië, die hare beste krachten aan den arbeid van het Genootschap hadden toegewijd; door financieele zorgen; door de gewichtige taak, die het te vervullen heeft; door de verdeeldheid, die ook op dit gebied ontstaan is, en de stormen die over het Genootschap zijn heengegaan, om dan telkens daartegenover te stellen, hoe bet, hulpe van God verkregen hebbende, staande is gebleven tot op dezen dag, en aan de genoten hulp ook grond te ontleenen om, in weerwil van de donkerheid der toekomst, moedig en hoopvol met den arbeid voort te gaan. Spreker stelde daarbij in het licht, dat het Genootschap de liefde zijner vrienden verdient om zijn doel, - ühristusverkondiging, niet slechts hunianiseering, - om zijn beginsel, daar het is een algemeen-christelijk Genootschap, op breeden grondslag, dat niemand uitsluit en in den strijd der richtingen geene partij dient, ook geen leerstellig Christendom in de hooiden, maar een werkdadig Christendom in de harten tracht te planten, - en om zijn werk , dat, hoe gebrekkig ook als menschenwerk, toch goed mag heeten, daar het voor landgenoot en vreemdeling nu eene eeuw lang getuigd heeft van het ééne noodige en van hooger éénheid te midden van velerlei verdeeldheid en strijd op kerkelijk, staatkundig en maatschappelijk gebied. Hij eindigt met het woord, dat Paulus eens hoorde, en dat ook ons bij onze kleinmoedigheid beschamen, in onze zorgen bemoedigen, bij het besef onzer vele tekortkomingen vertroosten en in het diep gevoel onzer zwakheid bekrachtigen moge: „Mijne genade is u genoeg, want Mijne kracht wordt in zwakheid volbracht."

Hierna werd gezongen Gez. 237 : 4 en 5, en door den Voorzitter, onder toejuiching der vergadering, een woord van hartelijken dank gericht tot Br. Craandijk voor zijne bezielde toespraak.

Treffende, vriendelijke of hartelijke woorden van deelneming en heilbede werden alsnu tot de feestvierende vereeniging gesproken, door den lieer Grear, als afgevaardigde der London Missionary Society; door l )s. Loeff van Dordrecht, namens de Commissie voor de Indische kerken, van wie hij tevens een

Sluiten