Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Menado, de Hulpprediker van het naburige Maoembi, de Controleur der A'fdeeling, de Districtshoofden en onderscheidene negorij hoofden, en deze allen waren op den bepaalden dag aanwezig, evenals bijna alle inlandsche leeraren van het district en velen der onderwijzers en der ouderlingen en diakenen van omliggende gemeenten. «De toevloed bij de godsdienstige samenkomsten, des morgens minder groot dan verwacht werd, was des avonds zóó talrijk, dat men zich zoowel in als buiten het kerkgebouw verdrong; zóó zelfs, dat de goede orde, althans de rustigheid van het gehoor, er eenigszins onder leed. Toch liep alles behoorlijk af en gaf de feestviering te Kassar den indruk van eene groote gebeurtenis, zoo door de moeite en kosten, die de gemeente zich voor de ontvangst harer gasten had getroost, als door de versieringen met eerebogen en vlaggen aan liet kerkgebouw, het erf en de wegen daarheen, des avonds nog opgeluisterd door eene aardige illuminatie.'" Te recht mocht Br. Tendeloo deze feestviering noemen een blijk, dat het Christendom vasten wortel bij deze bevolking heeft verkregen en de invoering daarvan eene gebeurtenis wordt geacht, waardig haar met zoodanige feestviering te gedenken, al is liet ook, dat de warmte en kracht van het gewone christelijke leven niet altijd evenredig is aan zulk een vreugdebetoon.

Wij kunnen natuurlijk niet uitvoerig meededen, wat al de Hulppredikers melden; trouwens de berichten der overigen zijn korter. En, tot ons leedwezen ook minder opgewekt, 't Is alsof de jongeren onder de broeders een meer somberen blik hebben op de toestanden, die hen omringen, en waaronder zij moeten arbeiden, dan de ouderen. Niet dat de schaduwzijden, die zij hebben te vermelden, zooveel zwarter zijn, dan die, waarop ook door de ouderen wordt gewezen; of dat liet goede geheel wordt voorbijgezien; maar aan dit betrekkelijk goede wordt weinig wezenlijke waarde toegekend, 't wordt grootendeels toegeschreven aan de volgzaamheid van den inlander. „Waar nog godsdienst schijnt te bestaan'", zqo schrijft één der Broeders, „daar is het een volgen van de rrjeerderen; werd men niet door zeker ontzag weerhouden, men zou zich geheel onverschillig betooiien. Of, men houdt zich aan godsdienstige gebruiken, omdat men er voordeel van

Sluiten