Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijngaard, te blijven en desnoods zich van zijn vrouw te laten scheiden. Gaarne lieten wij hier afdrukken de correspondentie over deze zaak door dezen Minahassischen Christen gevoerd met zijn geestelijken Vader, Br. H. Ilooker; ze getuigt voor beiden; ze is ons het bewijs hoe dezen man het Christendom een zaak des harten is geworden, hoe hij alles wil opofferen voor het werk des Heeren ; waarlijk deze bruine Broeder beschaamt menigeen! Plaatsgebrek verhindert ons echter bij dit alles uitvoerig stil te staan, en al verstaan wij dat Br. Letteboer het offer, dat Pautouw wilde brengen, meende niet te mogen aannemen, wat deze zelf trouwens ten slotte ook moest billijken, wij betreuren des te meer, dat onze reeds zooveel beproefde Broeder dezen deugdelijken medehelper moet missen.

[ntusschen mogen nog de volgende brieven van een anderen der helpers van Br. Letteboer, goeroe Roemate, hier een plaats vinden. Ze zijn beiden weder gericht aan Br. H. Booker te Tondano, die ze ons vertaald toezond.

Messara, Savoe, 26 Februari 1897.

Aan den geëerden heer

den lieer Pandita van Tondano.

Met een bedroefd hart zend ik dezen brief aan den geëerden heer, mededeelende, dat mijne geliefde vrouw den 12 den Februari 1897 overleden is in de negeri Messara, de plaats van werkzaamheid van Uwen geringen dienaar. Waarlijk, ik ben uitermate bedroefd, want ik denk aan het kind, dat altijd met zijne moeder was.

Ik, geringe, heb geen enkelen bloedverwant in dit vreemde land.

Evenwel, ofschoon dit zoo is, ik, geringe, hoop op den Heer, en verwacht hulpe van Hem; Hij heeft mij gezonden om in het land van Savoe in Zijnen oogst werkzaam te zijn. Aangaande de ziekte van de Njora, die was niets anders dan koorts, met buikziekte, waarbij nog eene nieuwe ziekte kwam, die thans het land van Savoe is binnengekomen.

Wat aangaat de dood van de Njora, de gemeente van Messara heeft getoond, welk hart zij mij toedraagt, die in haar land gekomen ben en in hare 'negeri, tot heil der zielen harer leden.

Vooral heeft de heer Radja, die mijn werkkring bestuurt, van heeler harte zijne hulp verleend bij den dood van de Njora.

Ik hoop, dat door haar sterven de gemeente goed zal worden, dat zij leven betoonen zal.

Sluiten