Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wercl bepaald dat ik 13 Februari naar Tomohon gaan en 16 Febr. van daar naar Tondano. Zoo is dan ook geschied. Zaterdagochtend vertrokken wij van Menado: mijne dochter met hare kinderen in een rijtuig door ossen getrokken, wij te paard. Mijn oude getrouwe bles was mij komen afhalen, 't Paardrijden, met eigen paard en eigen tuig, was me niets vreemd, 'k Had een gevoel, alsof er niets bijzonders met mij had plaats gehad. Ds. Kbol deed me 6 paal ver uitgeleide. Heel wat ruiters uit de bovenlanden vergezelden ons. O, wat was 't heerlijk in de berglucht weder dien koelen luchtstroom te gevoelen en in te ademen. We waren reeds vroeg te Tomohon, maar toch naar het verlangen van mijne schoondochter niet vroeg genoeg. Zij wachtte me op met de twee oudste kinderen van mijne oudste dochter, die dien morgen van Tondano gekomen waren. Het wederzien was heerlijk. Wat, geeft de liefdevolle en trouwe Heer ons toch veel liefs en verblijdends te smaken. Wel verootmoedigend, als we bedenken, dat wij tegenover Hem zoo vaak ontrouw zijn, en niet altijd dankbaar voor Zijne liefdeblijken. Weldra ontmoette ik Zr. Louwerieh , hare twee dochters, de familie Limburg, ook goede kennissen en vrienden van Tomohon. We hadden samen zeer genoegelijke dagen, 's Avonds kwam mijn schoonzoon, die tot Maandagochtend blijven kon. Zoo had ik al de mijnen in dit land om en bij mij, jong en oud verblijd over mijne behouden terugkomst. Wederom gevoelde ik mij een gelukkig en bevoorrecht vader. Jjut kon mij te meer troosten over, en vrede doen hebben met het feit, dat ik geliefde kinderen en kleinkinderen in Nederland had moeten achterlaten, na betrekkelijk kort, doch allergenoeglijkst samenzijn, dat gevolgd was op jarenlange scheiding.

De 16e Februari brak aan. Reeds vroeg kwamen er verscheidene personen te paard van Tondano om mij af te halen. Ten 8 ure reden we af. Mijne dochters waren reeds vooruitgegaan, met de kinderen van mijne oudste. Br. Loowerier en mijn zoon gingen natuurlijk mee. He ruiterstoet groeide allengs aan, zoodat er ten laatste wel honderd ruiters waren, die onder elkander recht opgewekt bleken, en hunne blijdschap door uitroepen of pok door 't zingen van een psalm- of gezangvers aan den dag legden. Te Tasaarau en te Koija, twee plaatsen, die we moesten doorrijden, beide behoorende tot mijn ressort, stonden de gemeenten, althans'een goed deel van deze, aan den weg om mij te verwelkomen, de hand te drukken, een toepasselijk lied zingende. Zoo ook werd ik in die twee plaatsen door de schooljeugd met een lied ontvangen.

Tevergeefs zou ik het gevoel trachten te schetsen dat mij aangreep, toen wij Tondano binnenreden, en dat door 7elerlei werd gevoed en versterkt. Het was een mengeling van blijdschap en weemoed, van dankzegging en smeeking, van hooggestemdheid en verootmoediging; 't was of al de snaren van mijn gemoed tegelijkertijd aangeroerd werden. Voor de erven blijde gestemde gemeenteleden, op den weg hartelijk welkomheetende kennissen, en dicht bij mijne woning eene zeer buitengewone drukte. Ik zag eene groote menschenmassa samengevloeid, feestelijken tooi van eerepoort, eerebogen, groen, bloemen en vlaggen, en de menigte in opgewondenheid toen

Sluiten