Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ik aankwam. Men liet me mijn erf niet oprijden, maar tilde me halt' van 't paard, en droef; me als 't ware naar binnen. Luide vreugde, maar zonder uitbundig te zijn. Men wilde mij begroeten, maar onderwierp zich aan de vastgestelde orde. Maar de groote menigte overziende, en met de hand naar alle kanten groetende, bemerkte ik, dat er mannen en vrouwen waren samengekomen uit alle oorden van mijn werkkring, tot uit de verst verwijderde plaatsen toe. Spoedig was ik de trap van tien treden opgeklommen, en vond op de voorgalerij tot mijne verrassing het grootste deel van de Europeesche ingezetenen verzameld, heeren en dames tot kinderen toe. Ook van deze een hartelijk welkom. De gedachte, dat ik geliefde betrekkingen in 't Vaderland had bézocht, het haastig mijnerzijds overbrengen van groeten van dezen, wekte aandoeningen op, die niet verborgen gehouden konden worden De begroeting kon slechts vluchtig zijn. De groote menigte verlangde mij de hand te drukken. De Europeesche stadgenooten beloofden, 's avonds terug te zullen kotnen. Eene schare schoolkinderen zong mij welkomstliederen toe. En toen, - ik weet het moeielijk anders te zeggen, defileerden mannen en vrouwen, jongelingen en jonge dochters, tot kinderen toe, - voor mij henen. Men kwam de liukertrap op en daalde de reclitertrap af. Iedereen drukte mij de hand, eenigen lang en krachtig, - verscheidenen een hartelijk woord zeggende, - enkelen met aandoening. Velen stortten tranen van vreugde, maar er waren er ook, die weenden van droefheid, gedachtig aan geliefde betrekkingen, die gedurende mijne afwezigheid ontslapen waren. Van enkelen van dezen werden mij de groeten overgebracht, en de hoop op een blij wederzien in zaliger gewesten. Mijn gemoed werd door aandoeningen bestormd; ik wilde weenen met de weenenden, blijde zijn met de verheugden. Zeer tegenstrijdige gewaarwordingen volgden elkaar op, kruisten malkander, zoodat ik ten slotte moede was en mat. Men had mij zóó krachtig de hand gedrukt, dat die dagen daarna nog pijnlijk was. Maar mijne ziel loofde God voor Zijne groote genade, die mij zulk eene hartelijke ontvangst had bereid. De gemeenteleden en ik gevoelden wederkeerig, dat wij bij elkander behooren, - dat wij mêkaftr terug ontvangen hadden, - dat we nu weder samen den levensweg zouden bewandelen, en God en Christus weder met elkander zouden dienen en trachten te verheerlijken.

Gedurende de eerste dagen na mijne tehuiskomst kreeg ik vaak bezoek, - zelden van enkelen, meest van velen tegelijk, ook uit de omliggende gemeenten. Het was alles ter verwelkoming. Men wilde ook gaarne wat hooren van mijn wedervaren op reis en in Europa, van inijn kinderen en kleinkinderen, - van het Genootschap en deszelfs streven, - van de belangstelling der Christenen in Nederland in het zendingswerk, enz. Soms gaven een paar vragen mij aanleiding tot vertellen, ook van toestanden en maatschappelijk leven zooals van 't reizen per spoor en train en boot, enz.

De eerste dagen was ifc behalve dat niet alleen. Broeder Louwerier was bij mij. Hij had het werk in de hoofdgemeente en in de acht in den omtrek gelegen filiaalgemeenten gedurende mijne

Sluiten