Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Ce le bes.

Minahassa.

In de vergadering van het Hoofdbestuur van den 17 de " Juni des vorigen jaars was een brief ter tafel, uit de Minahassa afkomstig, waarin ernstig aangedrongen werd op het vestigen van een zendingpost in Bolaang-Mongondou. Zij, die met de geschiedenis van het Genootschap bekend zijn, weten dat reeds vele jaren geleden, de leus: „naar Bolaang!" ter Jaarvergadering werd gehoord. De omstandigheden hebben tot nu toe de uitvoering van dit plan verhinderd. Thans evenwel was de roepstem van dien aard, dat wij meenden die niet onbeantwoord te mogen laten. Onmiddellijk een zendeling beschikbaar te stellen was onmogelijk, maar de vraag werd gedaan, of men niet door het uitzenden van een of meer inlandsche leeraars, althans met het werk een aanvang zou kunnen maken. Deze vraag werd overgebracht aan de conferentie der BB. Hulppredikers en het antwoord luidde gunstig. Vermoedelijk zullen dientengevolge weldra eenige mannen, die daarvoor bruikbaar worden geacht, naar Bolaang vertrekken. Dat deze maatregel niet anders dan als een voorloopige mag worden beschouwd, behoeft geen betoog. De uitzending van een Europeaan blijft een dringende eisch. De zegen, die op het werk in de Minahassa rustte, kan niet beter worden bevestigd, dan door uitbreiding van den arbeid in onmiddellijk aangrenzende streken. Een der Brs. sprak het vertrouwen uit, dat de Christelijke gemeente, van deze uitbreiding hoorende, ook meerdere belangstelling zou toonen en ruimere gaven doen toevloeien. Wij hopen hartelijk, dat zijn verwachting niet zal worden beschaamd. De velden zijn in Indië wit om te oogsten; ach, dat men ons in staat stelde arbeiders daarheen te zenden!

Zeker gaven de Minahassische gemeenten in dit opzicht een beschamend voorbeeld. Zij brachten in dit jaar aan extra gaven voor de Zending ƒ 9228,33J bijeen. De onderstelling is gedaan, dat om dit bedrag bijeen te krijgen, de Brs. Hulppredikers zich aan ongeoorloofde pressie zouden hebben schuldig gemaakt. Met het oog op het verleden dezet mannen, mogen wij veilig deze onderstelling minstens zonderling noemen. Ten overvloede vinden wij in de „Opwekker" van p°. Mei j.1. een stukje, getiteld: „Eene aangename ontmoeting", waarin de redacteur een onderhoud mededeelt, dat hij gehad heeft met zes jonge Minahassers, door het Gouvernement naar Java gezonden om daar de rijstcultuur te bestudeeren. De heer Tiemersjia (zendeling van de Nederlandsche Zendingsvereeniging) stelde hun de vraag of de bovengenoemde beschuldiging waarheid

Sluiten