Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De weinige gefortuneerde Christenen te Mödjo-Warnó zijn op een enkele uitzondering na weldadig tegenover zieken en armen; overigens geldt van de geheele gemeente, dat de leden elkander zooveel mogelijk helpen en terzijde staan, wat vooral bij sterfgevallen en ongelukken uitkomt. Toch heeft ook een soort onderling hulpbetoon, de arissan, ondanks de goede bedoeling, verkeerd gewerkt. Die arissan woedt door de dorpsgenooten gelijkelijk opgebracht en dient tot het bestrijden van de kosten van trouwfeesten en dergelijke. Yoor den rijke is dit gemakkelijk, maar de arme gaat er onder gebukt; daarom heeft men besloten voortaan vrijwillige bijdragen te geven, ieder naar zijn vermogen. Een andere vorm van hulp, die reeds lang in de gemeente bestaat, is de arinenrijstschuur. Door den invloed van den Heer H. E. Steinmetz, indertijd assistentresident van Djombang, die zeer met het denkbeeld was ingenomen, werden overal in de desa's zulke schuren opgericht, die na zijn vertrek op vele plaatsen echter te niet gingen. In de Christendorpen bleven zij evenwel in stand en voldoen aan het beoogde doel. De Christen-loerah's besturen deze instelling, waardoor in den schralen tijd zij, die geen rijst meer hebben, rijst kunnen leenen tegen een kleine rente in natura. Deze Christen-dorpshoofden werken met voorganger, onderwijzers en ouderlingen voortreffelijk samen, en verleenen hun zeer gewaardeerde hulp tot het verminderen van ket schoolverzuim en het innen van het schoolgeld.

Wordt er nog weinig gedaan aan opzettelijke Evangelisatie, toch is het opmerkelijk, dat er in de Mohammedaausche wereld meer belangstelling voor het Christendom ontwaakt. Velen onder dezen erkennen de voortreffelijkheid van het Christendom boven den islam en begeeren nader onderricht. Zijn er onder hen, die meenen, dat het Evangelie hen aan stoffelijke welvaart zal helpen, anderen meenen het oprecht en hebben geen bijoogmerken. Ook in de inlandsche ambtenaarswereld wordt een gunstige keer in de opinie over de Christenen waargenomen. Al willen zij zelf geen Christen worden, zij trachten toch het welzijn der Christenen in hun bestuursafdeeling te bevorderen, en leven met hen in vriendschap.

Overigens heerscht helaas nog altijd de volkszonde, de leugen, in de gemeente met groote kracht. Weinigen wandelen geheel in de waarheid. Daartegenover kwamen gevallen van overspel niet voor, en had er slechts één geval van grof bijgeloof plaats. Na aldus een en ander omtrent de hoofdgemeente te hebben medegedeeld, moeten wij ten opzichte van de bij-gemeenten verwijzen naar de Mededeelingen; een enkel woord willen wij evenwel nog wijden aan den toestand te Soerabaja, waarop ook

Sluiten