Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Men voelde zich verongelijkt, wilde niets meer van den voorganger weten, kwam niet meer in de kerk. Het desahoofd was de aanvoerder van de ontevredenen. Ik betreurde dit ten zeerste, omdat er tot dusverre samenwerking was geweest tusschen desahoofd en voorganger; zij waren elkaar steeds tot steun. Gelukkig wist ik weldra de gemoederen te bedaren, de ontevredenen te doeu inzien, dat men verkeerd deed door zich te verzetten in plaats van God om vergiffenis te smeeken; met dit gevolg, dat men zich verzoende en alles vergat.

Door de gedeeltelijke mislukking van den oogst is de bevolking arm en lijden velen gebrek. Moge 1898 een beter jaar zijn voor deze arme lieden.

In het begin van het verslagjaar heerschte er te Wana-rëdja eene hevige buikziekte. (Het drinkwater in deze gemeente is slecht.) Velen bezweken hieraan, zoodat in vele huisgezinnen droefheid en verslagenheid heerschten. In April brak ook hier de cholera uit. Des morgens was men nog krachtig en gezond, des avonds reeds begraven. Ik was juist in de desa, toen deze gevreesde ziekte uitbrak. Ik liet maatregelen nemen om de verspreiding tegen te gaan, beval de grootst mogelijke voorzichtigheid aan en drong er op aan dadelijk hulp in te roepen. Gelukkig is het maar bij een paar gevallen met doodelijken afloop gebleven. God heeft genadiglijk het gevaar afgewend. In de omliggende desa's heerscht deze ziekte reeds geruimen tijd. In de desa Bantoer, op een kwartier afstand van Wana-rëdja, stierven iederen dag 5 a 6 personen aan deze ziekte. Hoewel men wist, dat men te Wana-rëdja medicijnen kon krijgen, stelde men grooter vertrouwen in een ouden doekoen. Welke was diens raad? De patiënt moest zijne uitwerpselen als medicijn innemen. Het middel was erger dan de kwaal. Onherroepelijk stierf men dan ook binnen eenige uren.

In het laatst van het verslagjaar moest ik aan een paar echtscheiding geven. De vrouw had overspel gedaan. Zij werd de desa uitgezet."

Nu Pëniwen en Wana-rëdja zich niet verder kunnen uitbreiden, heeft onze Br. al zijn hoop gevestigd op de nieuwe ontginningen Pondok-rëdja en Tambak-rëdja. Hij verwacht dat door deze nieuwe Christen-nederzettingen in de jaren, die voor ons liggen, vele overgangen zullen plaats hebben. Hij beroept zich daartoe op de Malangmissie.

«Toen Br. Kreemer zijne werkzaamheden in het Malangsche begon, was het kuddeke nog zeer klein, Swaroe was nog een gehucht; door ontginning werd het tot eene groote, bloeiende en welvarende desa.

Sluiten