Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

omdat de Christenen ter hoofdplaats zeer verspreid wonen r en sommigen twee en meer paal hadden moeten loopen.

Ietwat vreesachtig werden wij door de vergaderden ontvangen» Geen wonder, zoo twee pandiüVs tegelijk! Reeds bij br. De Munnik's eerste bezoek hadden zij gezegd: //Wij -zijn Christenen, maar wij zijn dom, wij weten er eigenlijk niets van; maar gelooven doen wij wel!" Hoe zou liet nu met hen afloopen? Zouden ze weer op de proef worden gesteld ? Weer van die moeielijke vragen moeten beantwoorden ?

Er. De Munnik had mij verzocht de leiding van de bijeenkomst op mij te nemen. Ik stelde dus de mensclien eerst gerust, om hen langzamerhand aan het spreken te krijgen. Onder het gebruik van een kop thee en wat vruchten, ons gastvrij aangeboden, informeerde ik naar familie, woonplaats, middel van bestaan enz. Ook vroeg ik hun, hoe ze er toe gekomen waren Christen te worden; maar daarop kreeg ik steeds het onveranderlijke antwoord: «Van zelf." Het scheen wel een afspraak te zijn, om verder vragen te voorkomen. Hoe dit zij, al verder pratende kwam liet ons voor, dat een oude Christin, njaï Marijam, althans enkelen in deze gemeente met het Evangelie bekend had gemaakt.

Na aldus te zijn voorbereid, stelde ik voor met elkaar te zingen. Daar wij beiden stevig wijs hielden, liep het zingen nogal vrij goed af. Daarna hadden wij het eerst over de schepping, al vragende naar de bevatting der menschen: //Wie denkt ge, dat de wereld gemaakt heeft?" — //God." - "Is God goed?" - //Ja." - //Hoe weet ge, dat God goed is?" enz. Op enkele vragen kreeg ik merkwaardige antwoorden. Zoo o. a. op de vraag: //Waar is God? Ver van ons of dichtbij? - "Dichtbij." - //Waar dan?" - //Wel, in ons. 1 - Hier kwam even het Hindoesche pantheïsme om den hoek gluren !

Met het scheppingsverhaal ging het maar zoo, zoo. Van de geboorte van den Heer wisten zij iets meer; en ten slotte bleek het ons, dat zij wel wat overdreven hadden met te zeggen, dat zij er eigenlijk niets van wisten. Maar schraal was het wel!

Merkwaardig was meer het einde van onze bijeenkomst. Ik spoorde hen aan, ijverig kennis der waarheid te vergaderen, door getrouw ter koempoelan te komen, en veel in den Hijbei te lezen of er uit te hooren voorlezen, bovenal het gebed niet te verzuimen. En daarop kreeg ik ten antwoord, dat toch eigenlijk al deze dingen niet zoo heel erg noodig waren; als men maar geloofde, dat was voldoende; al die kennis was maar ballast!

Arme lieden, geloovigen met zulk een gebrekkige kennis

Sluiten