Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te winnen voor de belangen van liet genootschap , waaronder zesendertig jonge jufvrouwen, die eene door haar vervaardigde lijst, bij welke zij zich tot liefdegaven voor de Zendelingszaak verbonden, hebben geteekend.

Zij kan niet genoeg de liefde erkennen, die zij van de Christenen te Sourabaja genoot, ook gedurende eene kortstondige ziekte, inzonderheid van de familie van ende , bij welke zij huisvestte. Ook op Sumanap , welk eiland het schip aandeed, werd zij vriendelijk ontvangen (i). Zij vond aldaar eene Christelijke gemeente van driehonderd personen, maar noch predikant noch schoolmeester. Terstond besloot zij de kinderen bij haar te doen komen, ten einde die in het lezen en zingen te onderwijzen. Met veel gevoel berigt zij het genoegen, dat zij hierbij smaakte, vooral wanneer zij tot deze kindertjes sprak over de geschiedenis van onzen dierbaren Heiland en het heil voor zondaren, ook voor kinderen, door Hem aangebragt. Zij besluit met eene ootmoedige bede, dat de Heer dezen arbeid gelieve te zegenen.

Zij bevond zich alhier in de grootste verlegenheid, toen de kapitein, die een Arabier was, zijnen stuurman wegzond, die een Christen was, en een koopman, die zich op het schip bevond, mede hetzelve verliet. Er bleven nu niet anders aan boord dan onbeschaafde Heidenen, en het werd haar volstrekt afgeraden, om met deze de reis te ondernemen. Aldaar te blijven was ook zeer moei(i)

Zie wegens Sumanap, Maandberigt 1831, n®. 1, bl. 16.

Sluiten