Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de magt der duisternis zich heeft doen geleien. Geloofd en geprezen zij des Heeren naam! Hij heeft mij genadig doorgeholpen. Hij was mij steeds in ziekten en gevaren met zijne vertroosting en bemoediging nabij. Daarom kan ik niet zeggen, dat de herinnering mij zoo zeer bedroeft; integendeel mogt ik elk met David toeroepen: „ Vertrouwt op God te aller tijd, o gij volk.' stort ulieder hart uit voor zijn aangezigt; God is ons eene toevlugt." De groote school, welke door mij zeiven met behulp van eer en Koepaneschen jongeling wordt waargenomen , gaat weder gerégeld voort; ook onderscheiden zich de kinderen door vorderingen. Eenigen hebben in dit jaar de school verlaten, en van deze zoude ik durven zeggen, dat zij niet ontbloot zijn van bijbelkennis en gezonde godsdienstige begrippen. Nog eenigen zijn genoegzaam gevorderd, om eerlang van het schoolonderwijs ontslagen te worden. De overigen gaan langzamerhand op denzelfden voet voort; terwijl tevens het getal der kinderen in dit jaar met nieuwe leerlingen is vermeerderd, zoodat het getal dergenen, welke in de school zijn, tachtig beloopt en dat van hen, welke opgeschreven zijn, maar nog te jong om ter school te gaan, achtentwintig.

„ De school te Helitan gaat weder geregeld voort. Daar zij eenigen tijd gestremd is geweest door de onlusten , hebben de kinderen niet die vorderingen gemaakt, die zij anders zouden gemaakt hebben; evenwel onderscheiden zich sommigen zeer gunstig. Het getal der scholieren is er zesenveertig.

Sluiten