Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„xi Junij. Gedurende mijne ziekte was het met het schoolwezen niet wel gesteld. Want ofschoon ik niet over mijn' schoolmeester kan klagen, zoo willen de kinderen hem echter niet genoeg gehoorzamen. Maar, Gode zij dank! thans ben ik weder zoo ver in krachten gevorderd, dat ik de school kan bezoeken en des Zondags het Evangelie verkondigen. Ach ! hoe goedertieren is God jegens mij armen. Driemaal ben ik al op Kisser nabij het graf geweest, maar Hij heeft mij telkens weder opgerigt. En waarom ? Zeker maar daarom, opdat ik nog langer zijne liefde en trouw aan arme zondaren zoude verkondigen, en dat wil ik zoo gaarne doen, want Hij heeft ook mij in genade aangezien. Het is waar, gedurende mijne ziekte was Hij mij dikwijls zoo nabij, dat ik bijkans met Paulus zoude gewenscht hebben, om bij Christus mijnen Heer te zijn; maar de liefde tot mijne kinderen en tot de Kisseranen deed mij veelmaals smeeken, om nog langer onder hen en aan hen te mogen werkzaam zijn. Doch wat ik ben en doe schrijf ik aan zijne genade toe.

„ 4 rot 20 Julij. Ik had dezer dagen de blijdschap , om twee zonen des Konings, die voor ruim twee jaren de school zonder verlof hadden verlaten, cn van welke een inzonderheid een slordig leven geleid had, weder in de school te zien, zonder dat ik hen daartoe had uitgenoodigd. In het begin dacht ik, dat zij door hunnen vader, den Koning, daarheen gezonden waren; maar bij onderzoek

Sluiten