Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Vooraf werd, naar gewoonte, aan de leden voorgelezen het volgende

- Rapport van de Werkzaamheden en den Staat van het nederlandsche ZENDELINGGENOOTSCHAP , VOOr het Jaar 1834.

Geliefde Broeders en Zusters in onzen Heer J. C.!

In het verleden jaar waren wij, mede door belemmering der scheepvaart, verstoken van genoegzame berigten onzer Zendelingen, om, bij ons gewone jaarlijksche verslag, u naar onzen wensch bekend te maken met hunnen toestand en hunne werkzaamheden. Thans kunnen wij weder, zoo al niet van allen, echter van de meesten iets melden, en zullen zelfs , wegens het grootere tijdvak, dat wij thans te overzien hebben, uitvoeriger moeten zijn dan gewoonlijk. Wel is waar, wij hebben bedroevende zoowel als verblijdende, bekommerende zoowel als moedgevende tijdingen ontvangen. Maar gelijk wij de laatste niet schooner zoeken te kleuren dan zij zijn, zoo willen wij ook de eerste niet voor u bedekken; opdat gij met uw danken het bidden voor de beste zaak vereenigt , en met beide uwe getrouwe medewerking paren moogt.

Ontvingen wij, gedurende 18 jaren, belangrijke en dikwerf verblijdende berigten van onzen op slmbpin-a gevestigden broeder josep.h kam ; nu trof ons de droeve tijding van het verscheiden van dezen onzen Zendeling en Medebestuurder onzes Genoot-

Sluiten