Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

aan de zorg van gebrekkig opgeleide inlandsclie meesters, die zelve te onkundig waren, om anderen in de leer en vermaning des Heeren te sticliten. Er bestond dus bij de komst onzer Zendelingen van bet Christendom niet veel meer dan de naam en eenige vormen. Dat getuigde D s . boorda van eijsinga , die er zich in 1823 eenigen tijd ophield. Hij had er geene gevestigde gemeente gevonden. Er was noch kerkeraad, noch onderwijzer, noch voorlezer. En het Christendom was er in diep verval (1). Daarmede stemde ook het berigt overeen van broeder iiellendoorn } aan wien in 1827 de zorg voor die Christenen werd opgedragen. »Er is hier," dus schrijft hij kort na zijne komst, »zeer weinig lust en opgewektheid tol onderwijs in de godsdienst, hetwelk een gevolg is van de diepe onwetendheid, die hier lieerscht. Zij zijn Christenen, omdat zij gedoopt zijn, en dit is, denkt men, genoeg. De lusteloosheid en overgegevenheid aan het zinnelijke is hier al zeer groot. De liefde tot de wereld en de zonde neemt het hart geheel in en verdrijft allen lust lot het goede." Met onafgebroken en ouvermoeiden ijver was iiellendoorn te Menado werkzaam. Het mogt hem gebeuren de vrucht van zijnen arbeid te aanschouwen. Hij werd er de stichter der gemeente. En na er twaalf jaar geweest te zijn, kon hij in Mei 183!) twee maanden voor zijnen dood, berigien : »De Heer helpt, zegent en ondersteunt ons in onze pogingen boven verwachting. Wij zijn ver(1)

Zie zijne reizen en lotgevallen, 2 de deel, bl. 109.

5 *

Sluiten