Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met smachtend verlangen uit naar den Doop. Eindelijk werd dit verlangen bevredigd. In 1846 bragt een groot getal van Karenen aan de Zendelingen te Maulmein eene blijde tijding. Door een' geordenden inlandscben leer aar, die de gemeente van Sandoway in Arracan bun had toegezonden } waren er drie honderd twee en zeventig van hen gedoopt. En nu zag men weldra velen van deze menschen in de Engelsche provinciën aankomen, die zich daar met der woon kwamen vestigen, om nader onderrigt te kunnen ontvangen, en vrijelijk den Heer te dienen.

Het is geene ligte zaak voor de Zendeliugen deze menschen op hunne woonplaatsen te bezoeken , langs kronkelende voetpaden, alleen bij den Kareen en bij het wild gedierte, den tijger, den olifant en rinoceros bekend. » Dikwijls," schrijft een hunner, »voert mij het pad door diepe holle wegen, of moet ik hooge rotswanden beklimmen, of wel uren lang den loop eener beek volgen , of in het bed der beek zelf voortgaan. Soms kan ik de overzijde eener rivier niet anders dan zwemmende bereiken. En dan kom ik ten laatste aan een gehucht van tien, twintig, of dertig huizen, waarvan het naastbijgelegene weder op een' grooten afstand verwijderd is , en alleen langs even moei— jelijken weg te bereiken." Voorwaar, dat is wat anders dan het bezoeken der gemeenteleden door hunnen leeraar op den vaderlandschen grond! Maar verblijdend, aanmoedigend, beloonend is ook de ontvangst, die den Zendelingen onder de Karenen

Sluiten