Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

brengen wij u ten slotte aan liet sterfbed van eenigen hunner. Ook wij mogten er in deze dagen van dreigend doodsgevaar van de Heidenen sterven leeren. Eerst hooren wij van een' jongen man. »Ik bezocht hem," zoo verhaalt de Zendeling, «terwijl hi j zich elders bevond, en drukte mijne hope uit, dat wij hem weldra weer in ons midden zouden zien. Lagchende schudde hij het hoofd, en zeide: »Ik ben heel ziek; de Heer alleen weet wat gebeuren zal; maar ik ben niet ongerust, jezds is mij nabij." Hij werd niet beter, maar liet zich na eenige weken tot ons in zijne woning brengen, omdat hij verlangde bij zijn' herder te zijn, en in de armen zijner Christelijke vrienden te sterven. En nu hield hij ten einde toe door het geloof de beloften des eeuwigen levens vast en genoot een' ongestoorden vrede. Het eenige, dat hem pijnlijk aandeed, was de droefheid der zijnen. Stéfanus , de zoon van moschesch , zijn bijzondere vriend, verlangde hem te zien. » Neen !" liet hij zeggen, »ik heb liever niet, dat gij mij ziet; gij zoudt er te veel door lijden. Niets anders dan been zonder vleesch is er van uw' vriend overgebleven." Een ander geliefde vriend kwam tot hem, en viel, hem zoo vreeselijk veranderd vindende, zonder een woord te kunnen spreken, op zijn leger neder. Elias trachtte zijn' vriend te bedaren. » Zie," sprak hij, » hoe magtig de Heer is. Nog voor weinig weken was ik sterk, evenals gij, en nu ben ik zoo zwak als

Sluiten