Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

1876. M 1.

MAANDBERIGT

VAN HET

N ederlandsche Zendelinggenootschap.

(78 8te Jaargang.)

INHOUD.

HOOFDARTIKEL: De zending noodzakelijk voor het welzijn van Neêrlandsch-indië. — VERSCHEIDENHEDEN: Brief van den inlandschen voorganger , te Módjó-warnó ^ paulüs tossari , aan Ds. van peinse , te Naaldwijk. — Een aanslag op Menado. — AANWIJZINGEN EN HERINNERINGEN: Circulaire aan de Leden des genoofschaps. — Naamlijst der zendelingen. — Idem der commissiën. — Verzoek van den Thesaurier. — Titel van ons genootschap. — Giften en Legaten.

l)e Zending noodzakelijk voor het welzijn van Neêrlandsch-indië.

Mij dunkt, dat bet pligt is, en ik Leb dit ook altijd zóó opgevat en betracht, om de zendelingen niet tegen te werken, maar met welwillendheid te behandelen.

(Woorden van den Heer j. d. fransen van de putte, in de zitting van de Tweede Kamer der StatenGeneraal op 18 November, 1875. Zie Bijblad van de Ned. St, Courant, fol. 421).

Rome iiad ten tijde van zijn' hoogsten bloei zijne staatslieden en legerhoofden, zijne wijsgeeren, schrijvers en dichters; het zwaaide zijnen scepter over alle bekende volken. Toen Rome onweerstaanbaar scheen op elk gebied, ging het zijnen val met snelle schreden te gemoet.

De Joden hadden eene voortreffelijke wet. Hunne schriftgeleerden en priesters handhaafden die, toen de profeten niet langer hunne stem deden hooren. Met minachting beschouwden zij allen, die niet uit Israël gesproten waren. Wanhopig zochten zij hun volksbestaan te handhaven; en toch zij gingen te gronde.

In die dagen was jezus Christus op aarde verschenen. Hij was geen staatsman, geen wijsgeer, geen dichter. Hij had niets anders te verkondigen dan het Evangelie der genade,

Sluiten