Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

doorgaans het stilste is; maar de visschers hadden twee groote schildpadden gevangen, »en moesten die eerst slagten, koken en eten, dat al zeer onzindelijk en ruw te werk ging", 's Nachts had men vjjf vuren op Letti zien branden, daar moest iets gaande ziju: reden te meer om naar den overtogt te verlangen. «Wij staken dan eindelijk in zee met ons open vaartuigje, en door dat de zee zeer hoog was, zag men niet veel glans van vergenoegen op ons gelaat, ten minste als men de visschers uitzonderde. Daar zat een onde heiden voor mij, die bij elke groote golf, die hy zag aankomen, de hand uitstrekte en tot haar zeide: «//Uwe plaats is naar beneden, mijnheer!"" Doch ik bad in mijn hait tot Hem, die de zee en hare volheid geschapen heeft en nog dagelijks regeert. Daar wij vóór den wind uitliepen en over de golven vlogen, waren wij zeer spoedig over. Te Letti voet aan wal zettende, wat was het nieuws, dat die vuren hadden aangekondigd? Dat Br. dommees was aangekomen. Ik dacht bij mijzelven: in het begin van Mei van Damme vertrokken, eu in de maand Augustus op Letti aankomen, dat teekent geen voorspoedige reis." En Br. dommeks had dan ook in de laatste maanden gezworven, met weêr en wind en scheepsgelegenheden en ziekten geworsteld, op eene wijze, die nog wel eens mogt worden opgehaald, als toelichting tot het zendelingleven van die dagen. Bij gelegenheid kunnen wij liet verhaal van deze reis mededeelen.

Den Sisten October vernam luyke , dat //een slecht christen, zoo als hier de meeaten zijn", het kind zijner nicht, een lief meisje van 4 jaar aan heidenen van het eiland Lakor verkocht had, buiten weten van de moeder en de verdere familie. //O, dit trof en griefde mij dan verbazend! Ik kon niet duren in huis, en ging er dus op af, met allen, die ik bij mij uit de kampong kon mede krijgen. In de negerij eu aan het huis komende, vond ik den deugniet op zijne brits zitten, met den prijs, een soldatengeweer naast zich. Ik sprong op hem toe, sprak hem aan, werd driftig, toen hij het geval ontkende; en toonde mijn ongenoegen zóó, als ik niet weet ooit te voren gedaan te hebben; ik had het geweer op zijn hoofd aan stukken willen slaan. Doch Gode zij dank, dat ik mijne handen niet aan hem geslagen had. Straks was de geheele buurt voor en in het huis verzameld. Ik liet niet na aan christenen en heidenen, in hunne moedertaal de zaak bekend te maken, en zóó maakte ik het den schelm zoo beuauuwd, dat hij na verloop van acht dagen menschen naar het eiland Lakor zond, wien ik mijn' hulpmeester, van een' brief voorzien, medegaf,

Sluiten