Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

»Geen ding heeft ons tot heden ontbroken." Laat ons zien in welken zin dit is te verstaan.

In de droevige dagen van onze rampzaligste burgertwisten werd ons Genootschap gesticht; in de donkere dagen der fransche overheersching hield het zich staande. Te midden van den algemeenen druk vloeiden de middelen toe, om naar Staatsvlaanderen, naar de Kaap de Goede Hoop, naar het vaste land van Indië evangelieboden uit te zenden. Wij genoten stoffelijken voorspoed, maar tot werken werden wij niet of naanwelijks geroepen; de weg daartoe was ons afgesneden; de broeders in Engeland onderhielden de gemeenschap met de gewesten in het Oosten, en door hunne tusschenkomst werden nederlandsche zendelingen geplaatst. Moeten wjj het zeggen? Ook door het Londensche genootschap werden zij grootendeels onderhouden. De genootschapskas, hoewel betrokken in het verlies der natie bij de tièrcering geleden, was ruim voorzien.

De donkere wolken wareu overgedreven, de lucht was gezuiverd, gansch Nederland ademde weêr vrij, en ons Genootschap kreeg de handen ruim, om zonder tusschenkomst van de broeders in den vreemde het Evangelie in 's Lands koloniën te doen prediken. Daartoe behoorde de Kaap niet meer, maar onze zendelingen aldaar bleven in dienst van het Engelsche genootschap. In 1818 en 1820 zonden wij vier zendelingen naar onze bezittingen op de kust van Coromandel , die in 1827, nadat ook deze aan Engeland waren overgegaan, in dienst kwamen van voornoemd genootschap. Maar reeds in 1812 waren, over Engeland, drie broeders naar Neêrlandsch indië afgezonden , en deze werden in 1818 door vijf andere gevolgd. De nood, waarin de gemeenten in Indië verkeerden gaf aanleiding, dat zeven van dit achttal tot Hulppredikers benoemd werden, en hoe groot het nut ook was, dat deze mogten stichten, het eigenlijke zendingwerk bleef rusten. Alleen de kas voer wel bjj dezen overgang.

In 1820 vertrokken nogmaals vijf van onze zendelingen naar Indië, met de bestemming, twee naar de Minahassa, één naar Boeroe, twee naar Ceram. De beide laatsten gingen weldra, i" Gouvernementsdienst, tot inlandsche gemeenten over, de drie overigen werden ons door den dood ontrukt, nog eer zij vruchten op hun werk gezien hadden.

In 1822 vertrokken drie zendelingen. Eén stierf kort na zijnfl aankomst te Batavia , één bezweek na 11-jarigen arbeid op Ceraffli

Sluiten