Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onderlinge goedwilligheid is hier veelte doen, dat by den overgang in het voordeel van de gemeeuten kan werken. Wjj vertrouwen, dat het aan die goedwilligheid niet ontbreken zal, en dat het Hooge kerkbestuur daartoe zal medewerken; er bestaat geen reden om er aan te twijfelen.

Wat de scholen aangaat, zijn de zendelingen het met ons eens, dat deze verbeterd moeten worden; maar zij wenschen niet vergeten te hebben, dat zelfs de gebrekkige school haar nut heeft voor de gemeente door den onderwijzer, tevens voorganger èn catecheet. Zij zeggen: »De verbetering van de scholen kan niet enkel, zelfs niet voornamelijk geschieden door betere bezoldiging van het onderwijzend personeel, hoe ernstig die ook begeerd wordt en hoeveel heil wjj daarvan ook verwachten. Er moet bijkomen: zorg voor de noodige leermiddelen, zooveel mogelijk getrouw schoolbezoek, waardeering van het onderwjjs door de ouders, belangstelling in dat onderwijs door de gemeente, toezigt van hare zjjde, onderling toezigt, dat hare leden hunne kinderen ter school zenden." Niet weinig van wat men hier te lande ook wenscht en verlangt; maar hoe is dit te verkrijgen, anders dan door de school te maken tot een aanvulsel van het huisgezin, haar dus ook in te rigten zóó dat het huisgezin daardoor niet stoffelijk benadeeld worde, en den invloed der verstandelijke en zedelijke vorming van de kinderen ondervinde? De school moet zich plaatselijk kunnen aansluiten aan de behoeften van het huisgezin ; voor het huisgezin werkende wordt zij tot heil voor den Staat en voor de Gemeente. Zedelijke invloed van Staat en Gemeente op de ouders vermogen zeer veel; algemeene verordeningen zullen altjjd meer of min hinderend in den weg treden. Doch laat dit als in 't voorbijgaan gezegd zijn: de school is de wrjjfpaal geworden voor de partijen, en zoolang dit niet anders wordt, is het wysheid te zwjjgen; te midden van het rumoer ia spreken onmogelijk. Misschien zal deze en gene van onze Lezers over het boven gezegde eens willen nadenken.

De zendelingen verblijden zich, dat bij velen in Nederland belangstelling voor de scholen in de Minahassa is gewekt, en hopen, dat het Bestuurders gelukken moge, genoegzame bedragen voor haar onderhoud te erlangen. Op één punt dringen zij ten sterkste aan: behoud van het getal scholen. Nu werd in 1875 door onzen Thesaurier voor de scholen ontvangen ƒ 8332,44 en er zal spoedig / 12000 daarvoor gevorderd worden. De bijdragen zullen dus nog

9

Sluiten