Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zoo, dat was nu weer achter den rug! De schuldigen waren vrij, de beleedigde partij was voldaan. Onder vroolijlc gelach werd de geslachte buffel verdeeld, en niet lang daarna zaten we te genieten van een gemeenfechappelijken maaltijd. Toen ik naderhand aan de lieden van Koekoe vroeg of ze nu niet boos waren op die beide dorpsgenooten, die hun zooveel schade berokkend hadden, keken ze me erg verwonderd aan; ze vonden me blijkbaar zeer onnoozel. Op mijn vraag of deze beide lieden nu ook zouden trouwen, lachte men hartelijk en zei: „natuurlijk, 't is toch niet voor niets, dat ze beboet zijn." Bij ons zou men zeggen: „je moet toch wat voor de moeite hebben!"

18 Maart werden we verblijd met de komst van Dr. Adriani. Nog bijna twee maanden hebben mijne vrouw en ik geprofiteerd van diens lessen in de Bare'e taal. Een zelfde doel voor oogen, hebben we eendrachtiglijk samen gewerkt. Zijn rijke kennis van taal en volk stelde hij geheel ten onzen dienste, waarvoor we hem ook langs dezen weg dank zeggen.

Dat we niet langer in directen zin samenwerkten, kwam, omdat we ons huishouden in Mei tijdelijk naar het dorp Tomasa overbrachten.

Woonden mijn vrouw en ik verleden jaar drie maanden onder den stam der To Pebato, nu vonden we het geschikter ons onder dien der To Lage te vestigen. Dezen zijn heel wat minder toeschietelijk dan de eerstgenoemden, zoodat ook het aantal bezoekers in het begin heel wat minder was dan verleden jaar te Boejoembajaoe. 'Maar de droppelen zijn tot een milden regen geworden, en na een verblijf van vijf maanden viel ons het scheiden moeilijk.

Een bezoeker uit een naburig dorp vroeg mij op zekeren morgen, wanneer Tantowi, de zoon van Papa i Melempo, die zooals men weet met Br. Kruijt de reis naar Java heeft medegemaakt — toch terugkwam. Ik antwoordde hem : „misschien duurt het nog eenige maanden voor ge hem weer ziet!" „Is hij dan heengegaan naar het dorp, waar God woont, om daar God te zien ?"

Deze vraag hangt waarschijnlijk samen met de praatjes der Slammen, die den Toradja's steeds wijs maken, dat God te Mekka woont in een prachtigen tempel. Ik vertelde dezen gast, — zeer tot zijne verwondering — dat God niet op deze wereld woont. Verbaasd zei die jonge man daarop: „Zoo, dus zelfs jullui Hollanders hebben God niet eens gezien!" 'k Heb toen getracht hem duidelijk te maken, dat wij God moeten leeren zien met het oog van ons hart; voorts hoe Jezus gekomen is en ons heeft getoond en verklaard wie

Sluiten