Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

avond om een lang' leven." Toch gaat het trouwen op hun manier geheel naar den vorm met bruidschat en voorwaarde dat de man een jaar knecht bij zijn schoonouders wordt; en zoolang ze niet op hun wijze' „wettig" gescheiden zijn, laat de echtelijke trouw haast niet te wenschen over, terwijl bij de andere Minahassa-stammen, hoewel wettig gehuwd, het nog te veel voorkomt, dat de huwelijkstrouw geschonden wordt.

Een schaduwzijde van het Bantiksche huwelijk is de vrij gemakkelijke manier van scheiden en van elkaar wegloopen; onbestorven weduwen en weduwnaars zijn er te over en schamen ze het zich allerminst. Dat doet ons Westerlingen nu wel niet aangenaam aan, voor zoover de moderne huwelijksbegrippen nog niet door ons gehuldigd worden, maar wij kunnen de Bantikers, die nog niet zoo gevoelen en denken als wij, er niet al te hard om vallen; hun huwelijk is meer op uiterlijkheden dan op innerlijke verbinding der harten gegrond. Op een andere huisbezoekwandeling kwam ik bij een woning, waarvoor een vrouw stond rijst te stampen. Ik vroeg haar of ze nogal vaak de „onderlinge samenkomst der gemeente" bijw T oonde; dit beantwoordde zij toestemmend, maar dadelijk daarop steeg uit de huizen rechts en links een schamper lachen op, waardoor ik dadelijk op het spoor der waarheid kwam. Trouwens op het punt van ja en neen wordt het hier niet nauwer genomen dan in het lieve vaderland maar al te vaak gebeurt; men neemt hier tegenover een, voor spreker of spreekster, gunstig antwoord maar met een lachend gelaat een gereserveerde houding aan. Ik riep nu eerst de beide uitlachende vriendinnen van de „trouwe" kerkgangster, die dan ook spoedig, op haar manier netjes aangedaan, verschenen en zoo gingen we met dat drietal op de voorgalerij van een huis wat zitten praten. Ik kwam al spoedig op de mannen van haar. De „trouwe" vertelde: „mijn man en ik konden het samen niet best meer vinden en dus zijn we gescheiden; hij woont in dit huis (op welks voorgalerij we zaten) en ik woon in het huisje er naast (waaruit een der schamper-lachsters was gekomen). Nummer twee verklaarde: haar man was zoo'n slechte en daarom was ze van hem weggeloopen; terwijl de derde vriendin moest bekennen: „mijn man is van mij weg geloopen"; of hij dat gedaan had, omdat zij slecht was, vertelde ze er niet bij. Of zij drieën erg gebukt gingen onder dat „echtelijk leed", het was toen niet uit te maken, want ze vertelden het alles met een lachend gelaat.

De begraafplaatsen geven heel iets anders te zien, dan

3*

Sluiten