Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dienstige inzichten was gekomen. Hij las ijverig in den bijbel en vond daarin veel wat hij niet in overeenstemming achtte met hetgeen Sadrachs volgelingen hem voorhielden, waarom hij zich tot den missionair-predikant Adriaanse wendde en door dezen onderwijs in de christelijke leer ontving. Ook door Ds. A. ontving hij den doop. Geen gronden hebbende, werd hij, om in zijn dagelijksche behoeften te voorzien, gedwongen naar elders te gaan. En zoo vestigde hij zich in de dessa Wotgalih.

Ofschoon ver van eene christengemeente, te midden van eene Mohammedaansche omgeving, onderhield hij hetgeen hem was geleerd.

Toen hij eens op een Zondag gelast werd aan den weg te komen werken, had hij hiertegen ernstige beAvaren en gaf zijn hoofd te kennen, dat, aangezien hij christen was, het voor hem niet geoorloofd was des Zondags voor het werk uit te komen. Hij weigerde, zoodat hij aangeklaagd werd. Niet lang daarna werd hij opgeroepen naar de Kawadanan (het verblijf van den wadana, districtshoofd). De wadana vroeg hem of hij geweigerd had des Zondags voor 't werk uit te komen. Wongsi Karija beantwoordde deze vraag bevestigend met de mededeeling, dat zijn christelijke plichten hem oplegden den Zondag als rustdag te beschouwen. 'Je bent dus christen", ging de wanada voort, 'en hoe luiden dan de bepalingen van christenen omtrent hunne agama (godsdienst) ?" Daarop zeide hij de tien geboden op. »Ja," hernam de wadana, die bepalingen zijn niet kwaad." Van toen af kwam er bevel, dat Wongsa. Karija met de zijnen voortaan des Zondags niet voor 't werk behoefden uit te komen. Hij zelf heeft nu als kabaja (dorpsbode) zitting gekregen in het dessabestuur.

Een anderen keer kwam de loerah (dorpshoofd) bij hem aan huis en snuffelde zijn boeken eens na. Hij ging op de ambèn zitten en las hard op de tien geboden, achter in het gezangboekje afgedrukt. Toen hij aan het zevende gebod gekomen was. wilde hij niet verder, deed het boekje dicht en zeide tot Wongsa Kariji: „misschien kan jij deze bepalingen wel opvolgen, ik kan het niet". Wongsa Karija ging toen verder lezen en daarna ging hij met den loerah nader de wet des Heeren bespreken. De loerah moest toestemmen, dat al die bepalingen werkelijk het goede bedoelden, „maar, zoo besloot Wongsa Karija zuchtend, „hij verkoos de duisternis voor het licht".

Ik vroeg Wongsa Karija veel en velerlei en 't bleek me, dat hij zijn bijbel niet maar voor den vorm op het eenvoudige

Sluiten