Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„deel." En de gelukkige durft niet weigeren. Maar 'k behoef niet te zeggen, dat het blijmoedig geven hier verre is.

Eens gaf ik een jongen een doosje lucifers. Zorgvuldig borg hij het onder zijn jasje. Waarom doe je dat? Wel, als de huisgenooten dit doosje zien, hebben zij mij in een oogenblik alle lucifers afgevraagd. Maar weiger dan ! zei ik. Neen, dat durf ik niet. Dan heet ik gierig! Deze voorbeelden zouden met talloos vele te vermeerderen zijn. Nu zoekt men een uitweg. Men ontl'oopt elkaar door in de tuinen te gaan wonen. Daar kan niet alles afgevraagd worden.

Maar voor de zending is deze manier van wonen een hinderpaal. De lieden zijn moeilijk te bereiken. De bijeenkomsten, op Zondag in het moederdorp gehouden, worden dcor te weinig lieden bezocht. Het schoolgaan wordt den kinderen bemoeilijkt door de afstanden. „Vereenigt U", dat is dus het wachtwoord van den zendeling, die onder zulke omstandigheden werkt.

Dit jaar nu is er een begin gemaakt met het samentrekken dei Toradja's.

Wat de aanleiding daartoe was?

Laat ik het U vertellen.

Vroeger woonde Dr. Adriani te Panta, het dorp van Papa i Woente. Na de verhuizing van eerstgenoemden naar Koekoe hebben genoemd hoofd met zijne vrouw en vrienden cns reeds meermalen verzocht bij hen te komen wonen. Telkens gaf ik ten antwoord: ik wil wel bij jelui komen wonen, maar dan moeten we meer lui om ons vereenigen. Daar bleef het echter bij. Toen kwamen de lieden van Sawaka, een dorp niet ver van Panta, mij om een onderwijzer vragen. In 't begin van dit jaar toog ik met Papa i Woente en een der onderwijzers op verkenning uit. We moesten aan de overzijde van de Poenarivier zijn. liet was hoogwater, toen we deze moesten oversteken. Aan den overkant stonden vele mannen van Sawaka ons reeds urenlang op te wachten. Ons restte niets dan over te zwemmen, want een prauw was niet bij de hand.

Die wachtende lieden waren voor mij de nakomelingen van den Macedonischen man, die eenmaal tot Paulus riep : „Kom over en help ons." Maar wat valt er een geheel ander licht op zoo'n woord, als men zelf in den zendingsarbeid is ingegaan. Misschien wel naief, maar vroeger hoorde ik in zoo'n woord altijd min of meer een kreet om licht en verlossing. Nu zio ik het anders. Niet, dat de Toradja geen behoefte heeft aan een sterken arm, die hem uitredt, maar die behoefte leeft onbewust in hem. Er zijn zooveel bijomstandigheden, die hem doen roepen „kom over." Maar het goddelijke in die

Sluiten