Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

onder wijzers woningen met scholen gekregen, want liet dorp Boejoembajaoe heeft ook zijn rotspunt verlaten en is in de vlakte neergestreken. Het dorp Tomasa heeft, na bespreking niet Commandant Voskuil, ook het vrij ongezonde Tomasadal verlaten en is nu bezig zich hooger op te nestelen. Tij'dens clen bouw van een en ander zijn de scholen tijdelijk gesloten geweest. Toch is het aantal kinderen weer vermeerderd. Dat stemt ons blijde, want de school blijkt hoe langer zoo meer ten gewichtige factor te zullen worden voor de christianisatie van dit volk. De school werkt geleidel ij k en dat is het ware. Dat b'eek mij duidelijk toen dezer dagen Papa i Woente inet een ander hoofd op onze voorgalerij in gesprek raakte. In hunne dorpen waren ernstige zieken. Verschillende door ons toegediende geneesmiddelen hadden niet. gebaat. Ten einde raad wilde men een feest organiseeren, waarop de priesteres den levensgeest van de zieken zou trachten terug te brengen in hunne lichamen. De TWadja's gelooven namelijk, dat iemand ziek wordt o.a. doordat op de een of andere wijze een deel van zijn levensgeest is weggevoerd. Het werk dier priesteressen is nu dien levensgeest weer terug te lokken in het lichaam.

Maar nu wist men niet of de Koempania zoo'n feest toestond. Daarom kwamen beide hoofden ter informatie bij den Commandant. Deze verwees ze naar mij, den pandita. Ik legde hun uit, dat wij zulke feesten niet noodig vinden, omdat we in God gelooven; dat Hij het is, die onzen levensgeest in handen heeft. Maar ik eindigde met te zeggen, dat wij hunne feesten tot herstel van zieken niet wilden verbieden. Wanneer ge in God gelooft, zult ge vanzelf de feesten laten varen.

,,.Ta zoo is het", stemde Papa i Woente met een verlicht gemoed in. ,,Alles moet niet in ééns afgeschaft worden ; 't is beter dat het langzaam gebeurt, dan gaan allicht allen mede." Hieraan voegde het andere hoofd toe: ,,ja, als de kinderen allen naar school gaan, vergeten ze veel van de adat, en deze zal sterven."

Die Toradja, welke nog vreemd tegenover ons staat, komt er nu wel toe om zijn kinderen naar school te zenden, want hij denkt: ,,het raakt den dienst der voorouders niet." Zij, die dichter bij ons staan en meer voor onzen arbeid gevoelen, zien daarentegen in de school juist hun bondgenoot om allen tegenstand geleidel ij k te breken, om geleidel ij' k allen over te brengen van den dienst der voorouders tot dien ■var. God.

Daarom zeg ik, dat de school hoe langer zoo meer een gewichtige factor wordt in ons werk hier.

Sluiten