Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nulpunt, en we besloten, van alle feestelijkheden af te zien en ons te bepalen tot een eenvoudige gedachtenisviering in de kerk.

Missohieu zou de beslissing anders uitgevallen zijn, als we daarbij op Minahassische wijze waren te werk gegaan. De Minahasser toch ziet er niets in om, wanneer zijn lust tot feestvieren in botsing komt met zijn gemoedstoestand, zich voor een dag of wat rouw en zorg uit het hart te rukken, de vonden met klatergoud dicht te plakken en het rouwgewaad te verwisselen met den feestdos. Ze noemen dat ,,pindjam hari" (= een dag leenen). Na afloop der feestelijkheden wordt dan de rouw weer voortgezet.

Het leek mij niet paedagogisch dit voorbeeld te volgen, en de Commissie van Bijstand was het daarin met mij eens.

Afgezien nog van wat we tegenover de treurende betrekkingen der overleden meisjes verplicht waren, zou dergelijk verkrachten van een ernstige gemoedsstemming hebben kunnen verstoren, wat God ons wilde leeren met deze bezoeking. Dit memento-mori was een te duidelijke roepstem, dan dat wij mochten toelaten, dat de indruk er van werd ■weggedoezeld door allerlei feestgedoe.

Dat er in die dagen nog wel gelegenheid geweest is om een goed woord aan de kinderen kwijt te raken, spreekt van zelf; nu eens om te wijzen op den ernst van het leven en op wat bet beteekent: „leer ons, Heer, onze dagen tellen", dan weer om te waarschuwen tegen al te groote bezorgdheid en te vermanen tot vertrouwen op God. En we willen hopen, dat niet al dat zaad op de steenrotsen viel. Op een avond, dat in een van de kamers, waar de kleinere meisjes slapen, er een paar bezig waren met de anderen ongerust te maken, zei een kleuter van zeven jaar tot haar slaapkameraadjes „we hoeven immers niet bang te zijn, Mijnheer heeft gezegd, God zal zorgen !"

Een doodenkelen keer vangen wij wel eens meer iets op, waaruit we mogen opmaken, dat niet alles over de hoofden heengaat, wat ze zoo af en toe hooren, maar dat er toch ook wel wat den weg vindt tot het hart.

Zoo herinner ik mij een treffend staaltje uit den Sopoetan-tijd.

De Sopoetan is een onzer vulkanen.

Java heeft nu eenmaal den naajn van erg vulkanisch te zijn — wie herinnert zich niet met een zeker ontzag de lange rij vulkanen, in z'n jeugd van buiten geleerd: Salak, Gedeh, Goentoer, Slamat, enz. tot den Merapi toe? — maar daar kunnen we hier in de Minahassa ook van meepraten. Op een

Sluiten