Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

natuurlijk niets van wat wij erfelijk belast noemen. Trouwens in dit geval kon daarvan geen sprake zijn. Als kleine jongen toch had de a.s. bruidegom, in een worsteling met een makkertje, waarschijnlijk zijn heup ontwricht. Althans, volgens de berichten, was de zijde opgezwollen, en had een doekoen ijverig gewreven en geknepen, met het resultaat, dat de jongen voor zijn leven mank werd.

Na de moeder werd de dochter gehoord. Hoewel onder den indruk van het oogenblik, bleef zij bij haar verzoek volharden.

In het algemeen was de kerkeraad van oordeel, dat de redenen, door de moeder opgegeven, niet steekhoudend waren. Slechts één lid wis bevreesd, dat bij toestemming het ouderlijk gezag een knak zou krijgen, en dat andere jongelui zich op het geval zouden beroepen. De meerderheid echter vreesde nog meer de kwade gevolgen van een weigering; daar het toch duidelijk was, dat de jongelui elkander wilden hebben, en het meisje door haar moeder verstooten was.

Ten laatste werd besloten, de gevraagde toestemming te geven. Nog eens werd de moeder vermaand, om toch het geluk van haar dochter niet op het spel te zetten, maar liever haar ter elfder ure hare toestemming te geven. Maar zij wilde niet: „Als U haar toestemming geeft tot trouwen, dat moet U weten, maar van mij krijgt ze die niet!"

En de dochter bracht ik onder het oog, dat het 5e gebod, ondanks alles, wat er gebeurd was, van kracht voor haar bleef; dat zij nu juist te meer moest toonen, haar moeder lief te hebben, om haar toch nog te winnen. En zoo is het meisje getrouwd; maar de moeder heeft zich niet vertoond. Zeer zeker is zulk een volhouden tot het einde zeldzaam onder de Javanen. Toch geloof ik niet, dat er karakter uit spreekt. Veeleer koppigheid! Maar het zijn de slechtsten niet, die zoo zijn!

In den loop van het verslagjaar hebben ook wij onze „pajoeng"-kwestie gehad. Bekend toch is de circulaire van den tegenwoordigen Gouverneur-Generaal, waarbij de pajoeng (zonnescherm, die bij den persoon behoort als teeken van waardigheid) voor de hoofden van gewestelijk bestuur werd afgeschaft. Maar in den kerkeraad ging het juist in tegenovergestelde richting. Het was op het einde van bovengenoemde vergadering, dat onze oude voorganger, Kjaï Asiël, het woord vroeg. In den breede betoogde hij, dat de pran&tS. van de gemeente nu werkelijk goed was, dat de gemeente nu inderdaad „rëdji" (welvarend) genoemd mocht worden enz. enz., maar dat er nog één ding ontbrak t.w „pajoeng's voor de panganten's (bruidsparen)."

Sluiten