Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

bestaan. Of ze dat allen voelen? Neen, maar wel de ernstigen onder hen.

Verder werd er gesproken op wat voor wijze geholpen kon worden; er moet natuurlijk, voor ze opgenomen worden door den doop, iemand komen, die hen wat thuisbrengt in de Christelijke leer, die hun dooponderricht geeft. Ja, dat begrepen zij heel goed, als zij Christen werden, wilden zij weten, wat het Christendom leerde. „Wij kunnen jullie er wel wat van vertellen. Om te beginnen: God zei in Zijn geboden het allereerste: „Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben." Wij moeten, willen wij Zijn geboden opvolgen, dus beginnen met alle geloof aan bëgoe's, hantoe's, berë-berën's, enz. weg te doen; en alleen den eenigen God aanbidden. Dan heeft God, uit liefde voor ons allen, omdat Hij zag, dat de menschen zoo ver en steeds verder van Hem afgingen, want zij begrepen niet Zijn geboden, Zijn eigen Zoon in de wereld gezonden. Die heeft de menschen geleerd, en door de boeken komen die leeringen ook tot ons. Wij moeten daar naar luisteren en er naar doen; wij moeten gelooven en dat geloof kan vast worden, als wij veel van Hem weten. Daarom komen de Christenen elke week een keer samen; daar spreken zij over God, Zijn geboden en Zijn leeringen; daar bidden zij samen voor alles, wat zij in hun leven noodig hebben!"

„Natuurlijk moet er iemand komen om ons te leeren. Wij hebben samen al eens over een plaats gedacht, en meenden daarvoor geschikt een dorpje hier vlak bij, of waar nu onze karbouwen zijn; daar is een vlak stuk, mooie grond. Daar kunnen wij een school zetten, en een goeroewoning met een flinken tuin; en dan gaan wij daar ook wonen; al de kleine dorpen bij elkaar! Maar je sprak daar over bidden. Wat moeten wij dan zeggen tegen Dibata (God) ?"

(Word! vervolgd.)

3. Personalia.

Br. en Zr. Van Eelen en Br. Ritsema zijn behouden te Donggala aangekomen. Daar zullen zij de landengte oversteken om zoo in Posso te komen. Zij hoopten daar vóór Kerstmis te zijn.

Te Bandjermasin zijn zij allen ernstig ongesteld geweest. Wij zijn veel dank verschuldigd aan de zendelingen van het Rijnsche Genootschap aldaar, de BB. Bracches en Hensgen en hunne echtgenooten, voor de liefdevolle wijze, waarop zij hen hebben verzorgd. Bovenal danken wij God, dat zij

Sluiten